Uw kop

Paris en de Poëtessen

PARIS en de POËTESSEN

 

Dit weekend was ik in Parijs. Vooral om daar te zingen samen met Christophe in ons cabaret “Le Magique”, in Montparnasse.

Dit keer was Christophe devedette”. Hij zong een hele serie liedjes van Bobby Lapointe, een zanger-liedjesschrijver, nu alweer bijna 40 jaar geleden overleden, maar nog steeds bekend en populair bij een kleine “cercle”van fijnproevers.

Zijn chansons zitten zo kunstig in elkaar met binnenrijmen en woordspelingen en bliksemsnelle overgangen en verdraaiingen dat zelfs de Fransen moeite hebben om de tekst letterlijk te volgen.

Honds moeilijk om die lawine van woorden duidelijk uit de bek te krijgen terwijl je intussen ook nog gitaar speelt, maar het ging prima.

Ik begeleidde hem bij twee liedjes en had de tekst die ik mee moest zingen voor de eerste keer in mijn beroepsbestaan op de gitaar geplakt en nog vergiste ik me. Maar dat viel niet al te erg op.

 

De volgende dag had ik rendez-vous met Catherine, de vrouw, actrice en schrijfster, voor wie ik dat Franse gedicht schreef: “La traversée de Paris” .

[kijk bij Franse gedichten]
 

Ze had een vernissage  want ze bleek ook nog niet onverdienstelijk te kunnen schilderen.

 

Toen ik om 5 uur ’s middags aankwam in het kleine theater waar de werkjes langs de wand hingen begon net de presentatie.

 

Op het toneel zat een dromerige man met een soort cithare voor zich. Het bleek een Iraans instrument te zijn dat hij bespeelde met twee langwerpige ijzeren lepeltjes.

Catherine werd bijgestaan door een acteur, Christian, die afwisselend met haar teksten voordroeg. Het waren beschrijvingen van de natuur van Laos, de markten, de producten die je daar zag, de sferen die je onderging en het duurde allemaal best wel lang.

Het zal u duidelijk zijn dat Laos ook het onderwerp was van de schilderijen.

Vooraf had men met strenge stem gezegd dat alle mobieltjes uit moesten – logisch – maar de voordracht was nog niet begonnen of er bleek in de coulissen aan een tafeltje een dame met telefoon te zitten die de reserveringen voor die avond opnam. The show must go on, nietwaar. En het liep gelukkig goed storm.

Bovendien had men ons ook laten weten dat de musicus om 6 uur ergens anders moest optreden, zodat hij halverwege ophield te spelen, zijn instrument inpakte en zo stilletjes mogelijk verdween. Hij zat daar op de grond met de benen gekruist, op sokken waarin een gat zat.

Toen hij van het toneel af was moest hij nog eerst zijn schoenen zoeken – tussen rij 1 en 2- en ze aantrekken. Daarna sloop hij weg.

En toen ging er toch nog een mobieltje af. Dat was natuurlijk erg storend.

Het was van een aandoenlijke knulligheid, maar alles werd met  zo’n dodelijke ernst uitgevoerd dat we ervan overtuigd waren hier te maken te hebben met “kunst”.

Na afloop maakte ik kennis met allerlei aanwezigen. De meeste dames bleken ook allemaal poëtessen te zijn. Ik heb dit woord maar speciaal voor hen verzonnen.

Één van hen, een dame van over de negentig, bleek een bekende dichteres te zijn: Nadine Lefebure, met een indrukwekkende staat van dienst. Het was ook een indrukwekkende vrouw. Ze liep met twee krukken vanwege een ernstig verkeersongeluk, een paar maanden geleden. Ze was met driewieler en al omver gereden op een zebrapad. Maar dat kon haar niet ontmoedigen. Ik begeleidde haar op onze weg naar een belendend café waar de nazit was. Daar kreeg ik haar laatste bundeltje. Indrukwekkende poëzie! Een klein voorbeeld.

 

NÉBULEUSE

 

Nébuleuse à l’oeuil nu

Nébuleuse aux vertèbres de métal, au ventre d’aspic

Aux cheveux de palissandre à cinq branches

Nébuleuse lézard de la nuit

Scaphandre des ténèbres qui s’enfonce autour de la terre

Léopard de minuit

 

En dat gaat nog een aantal bladzijden door.

 

Dan nu de andere poëtesses.

De eerste heette Ira en was van oorsprong Grieks. En journaliste. Maar gezien de crisis in Griekenland had ze afgezien van werk voor de Griekse kranten ten gunste van jongere collega’s en organiseerde ze  poëzie bijeenkomsten.

Nummer twee was Roselyne. Zij organiseerde poëtische wandelingen door Parijs met als onderwerpen Eloïse et Abelard, De klokkenluider van de Notre Dame en Esmeralda en anderen. Romantiek genoeg in die stad.

Nummer drie noemde zich Sabàn. Ze droeg een koket Frans baretje en had twinkelende oogjes. Ze zong haar eigen liedjes, maar haar carrière schoot niet erg op omdat ze, zoals ze zelf zei, extreem verlegen was en zich daarom moeilijk wist te verkopen. Van die verlegenheid merkte ik verder niet veel, maar misschien kwam dat omdat ze zich bij ons op haar gemak voelde.

Nummer vier was een stil type, van wie ik nog steeds de naam niet weet noch wat ze uitvoerde. Maar het was beslist ook een poëtesse. Ze had een grote bos grijs haar. Ze waren eigenlijk allemaal zo omstreeks de vijftig maar zagen er goed uit.

Zij vroegen of ik mee ging naar een toneelstuk in  het theater La Lucernaire. Een bijzonder interessante plek. In een fabriekshal midden in Parijs had men een conglomeraat gesticht van twee theaters, drie biosopen, een restaurant een expositieruimte en nog meer. Eerst werd het gesubsidieerd maar toen dat wegviel heeft een uitgeverij dat overgenomen: l’Harmattan. Het loopt als een trein en toen we daar aankwamen bleek het stuk dat we wilden zien uitverkocht. Maar geen nood. Om half tien startten twee andere stukken en we kozen voor “Oedipe” in verzen van Voltaire. Zware kost zou je zeggen maar de zaal zat vol. Dat is toch fantastisch dat je op zo’n tijdstip op de vrijdagavond een volle zaal krijgt voor zo’n zwaar stuk.

Om de tijd te doden aten we wat in het restaurant en ik kreeg van de Griekse journaliste een teken dat sommige dames wat slecht bij kas zaten en zich dat misschien niet konden veroorloven.

Ik nodigde ze uit met de afspraak dat ze alle vier de volgende avond naar ons concert zouden komen. Dat hebben ze ook gedaan.

Ik deed dat vooral omdat de baas van ons cabaret altijd geheel in paniek was of er wel voldoende mensen zouden komen. Dat was in December zo toen ik daar zelf optrad en dat bleek toen geheel onnodig omdat op de bewuste avond het zaaltje uitpuilde en hij wederom in paniek was omdat hij niet wist hoe hij iedereen moest plaatsen.

Het stuk werd opvallend goed gespeeld en ik verbaasde me over die Voltaire, die ik helemaal niet kende als toneelschrijver en die vlot lopende verzen uit zijn mouw wist te schudden, die ook nu nog klonken als gewone spreektaal. Vooral Oedipus, een knappe, rijzige,  jonge man en zijn vrouw/moeder speelden de sterren van de hemel.

Het applaus duurde minuten en naast me riep die ontzettend verlegen Sabàn luidkeels: “Bravo!”en nog eens en nog eens.

 

Christophe en ik logeerden in een appartement van een vriend van hem vlakbij de Bd du Temple. Dat is zo’n buurt van Parijs waar het toerisme nog niet erg is doorgedrongen. Daar was natuurlijk  ook een overdekte markt waar we voor de lunch een restaurantje ontdekten waar je aan eenvoudig houten tafels uitstekend kon eten. We begonnen met 6 oesters en daarna de dagschotel van kalfsvlees. Wijn en water en een kopje koffie voor afbraakprijzen. Het bestaat nog, maar je moet er wel naar zoeken.

Als je de hoeveelheid mensen zag, die die markt bezochten en de waar die daar lag uitgestald kreeg je het idee dat de crisis nog niet erg had toegeslagen.

Onze avondvoorstelling verliep gesmeerd en de poëtessen zaten op de eerste rij en vermaakten zich kostelijk. Het zat weer overvol en de baas was weer in paniek.

 

De volgende dag had ik een afspraak met Catherine. Ik nam haar mee naar een voorstelling die heette: “How to become a Parisian in one hour”. Ik was nieuwsgierig naar de inhoud en dacht misschien wat inspiratie op te doen omdat ik hier in Nederland ook werk voor een publiek dat dolgraag een “Parisian” zou willen worden in “one hour”.

Het speelde in het Theatre de la Main d’Or, vlakbij de Rue de Lappe achter de Bastille.  De voorstelling was hilarisch grappig. Het publiek was zeer internationaal en de acteur heel sympathiek. Hij had dat onnavolgbare accent van een Fransman in zijn Engels en bespeelde het publiek heel geroutineerd. Zijn uitgangspunt was de arrogantie van de Parijzenaar tegenover de naïeve en overvriendelijke benadering van de buitenlander. Veel zelfspot, dus en erg veel goede mimiek.

Na afloop spraken we hem nog even. Hij vertelde dat hij dit nu al drie jaar deed en dat hij de voorstelling eerst nergens kwijt kon. Ook weer een voorbeeld van de arrogantie van de Parijzenaar, zoals hij dat overtuigend voordeed: “Een voorstelling in het Engels!!? Hoe kom je erbij..” Nu ging hij er zelfs mee op tournee in het buitenland. Dat was zijn zoete wraak.

Na afloop had ik een tafel gereserveerd in het restaurant “Bofinger” vlakbij de Bastille. Een prachtig Art Deco decor, dat men gelukkig had weten te bewaren. En goed brasserie eten.

Catherine was naar ons rendez vous gekomen per “vellibe” [zie mijn gedicht]. Ze weigert de metro te gebruiken en ondanks de bittere kou pakte ze toch de fiets. Ze kwam versteend aan, zonder een goede jas en vooral zonder goede handschoenen. Maar: eigenwijs. Van het theater naar het restaurant was het maar één metro halte, maar aangezien dat niet in aanmerking kwam besloten we te lopen. Ze zette er een waanzinnige vaart in omdat ze het anders te koud kreeg en ze wierp zich om over te steken met een ware doodsverachting in het verkeer hoewel het licht al op rood sprong.

Wat ik in Amsterdam rustig zou doen liet ik in Parijs maar na en ze stond me ongeduldig op en neer springend op te wachten.

“Je ne vais quand même pas me faire écraser pour tes beaux yeux”, zei ik. “Tu aurais dû me suivre”, antwoordde ze.

Het diner was een succes.

Ik overlaadde haar met complimenten over haar poëtische beschrijvingen van Laos en ik had al een schilderijtje gekocht, dus ik kon geen kwaad meer doen.

Ze vertelde me dat in haar appartementje, rue Cardinal Lemoine, op de bovenste verdieping onder het dak de temperatuur niet boven de 12 graden kwam. Ze kon wel hoger stoken maar vanwege de kosten liet ze dat maar na en droeg maar veel truien. Alleen in haar badkamertje was het wat warmer.

“En ’s zomers?” Vroeg ik. “Dan stik ik van de hitte.”

Ik was onder de indruk dat er nog steeds mensen waren die omwille van de kunst zich dergelijke ontberingen getroostten. 
Ze had ook geen t.v. en alleen maar een oude slecht functionerende computer.

Ze nam het duurste van de kaart: een truffelsoepje, waarna ik van de weeromstuit ook maar iets truffeligs nam.

En ik voelde me een vadsige mecenas toen ik haar in een taxi thuis bracht. 

Nadat ik haar had afgezet nam ik toch maar de metro naar mijn huis om de kosten een beetje laag te houden.

 

Tijdens de treinreis terug naar Amsterdam kwam er een jonge vrouw naast me zitten, een meisje nog, die direct een groot blocnote opensloeg waarin bladzijden vol zeer ingewikkeld uitziende algebraïsche formules stonden.

Ze begon die aandachtig te bestuderen waarbij ze zo nu en dan iets toevoegde of aantekende. Dit deed ze gedurende de drie uur die de reis tot aan Brussel duurde. Ze ging zo in haar werk op dat ik haar ook niet durfde storen met onbeleefde vragen.

Na Brussel borg ze alles op en maakte zich klaar om in Antwerpen uit te stappen. Terwijl ze zo zat te wachten kwam haar kennelijk ineens nog een formule in gedachten die ze met een pen op de muis van haar hand noteerde als ware het een kostbare versregel die ze bang was te vergeten als ze het niet direct opschreef.

Poëzie! dacht ik.

 

Ter afsluiting een cartoon van de onverbeterlijke Kamagurka getiteld: “Gedichtendag 2012.”

Een man is bezig met de microfoon en zegt : Test, test, test!”  Waarop de zaal begint te applaudisseren en: “Bravo!”en“Bis!” roept.

[er zijn foto's van deze evenementen]

 

 

 

 

 

 

De vernissage

Uw kop