Uw kop

Uw kop

Uw kop

 

ADIOS MI DUSHI

 

Ik zag Curaçao voor het eerst vanaf een cruiseschip waarop ik onderdeel uitmaakte van ’t entertainment voor de Amerikaanse toeristen.

Voor mij was het een verbaasde herkenning om daar ineens een soort Enkhuizen in de tropen te zien liggen. Kleine Hollandse huisjes om een haven.

Daarom ging ik later in New York naar Max Tak, die ontzettend aardige man, die in het Rockefeller Centre een kantoortje had als Nederlands Cultureel Attaché of zo. Hij gaf me de namen van allerlei Nederlandse verenigingen en enkele maanden later vertrokken we voor een tournéetje naar de Nederlandse Antillen.

We werden gehuisvest in het hotel van de Shell, gelegen in zo’n villawijkgetto waar men in de derde wereld altijd zijn employés onderbracht.

De voorstellingen waren een succes, de mensen bijzonder hartelijk. Ik herinner me een notaris Smeets en zijn vrouw, die daar ontzettend rijk zaten te worden dankzij allerlei transacties met gunstige belastingvoorwaarden. Ze bezaten een prachtig jacht waarmee we tochtjes maakten naar het Spaanse Water. Ik heb me laten vertellen dat het daar nu helemaal is volgebouwd, maar toen hadden zij daar een hutje, waar we met z’n allen nasi goreng aten. Ook leerden we Mia kennen, een zojuist gearriveerde journaliste, die een baan had bij de plaatselijke krant.

En dan had je Rudi Plaate, een Curaçaoënaar die tennisleraar was en een grote faam had als zanger. Op dat moment hoorde je steeds een door hem in papiamento geschreven calypso: “Respetta Polies!”, een ironische versie van het gezegde: “De politie is je beste vriend!”. Ik hield zelf erg van een Curaçao’s walsje getiteld: “Adios Mi Dushi!”. Daar heb je ook geen vertaling voor nodig.

Ik nodigde hem uit om bij ons in het hotel een avond muziek te komen maken. Hij zou twee andere muzikanten meenemen. Twee broers. De ene werkte bij het gas, de ander bij de Shell. Allebei gitarist. Ze konden geen noot lezen maar door goed te luisteren speelden ze als de beste.

Ik nodigde ook mijn Nederlandse vrienden uit, maar iedereen had dringende bezigheden elders, behalve de journaliste die waarschijnlijk nog niet op de hoogte was van de onzichtbare scheidslijnen die er in zo’n gemeenschap bestonden.

Nu moet ik zeggen dat men dit in Curaçao in het verleden goed had weten op te lossen. Men ging er van uit dat men op zo’n klein eiland toch niets kon uitspoken zonder dat, vroeg of laat, iedereen het te weten kwam.

Elders op het eiland bestond nog een gettodorpje waar alle meisjes van plezier woonden. Als iemand een bijvrouw had waaruit kindertjes werden geboren, dan verzon men leuke namen voor de tweede familie of men draaide simpelweg de eigen naam om. Gieter werd dan  Reteig en in het Curaçao’se telefoonboek kon je nog allerlei spitsvondige omdraaiingen lezen. Dat vermengde zich dan ook weer en was allemaal familie van elkaar. Als er dan een keer bruiloft werd gevierd spande men een touw dwars door de feestzaal, zoadat aan de ene kant de officiële en aan de andere kant de onofficiële familie net zoveel plezier kon maken.

Onze muzikale avond was erg gezellig. De twee broers speelde fantastisch. Ze hadden een plaat gehoord met muziek van Bach en die melodieën hadden ze zo mooi gevonden dat ze die nu ook speelden. Terwijl de één foutloos de Allemande uit de partita voor viool speelde, maakte de ander er een begeleidinkje bij in Curaçao’s walstempo. En dit lang voordat Jacques Loussier goud zou verdienen met zijn verswingde versies van Bach muziek.

We vonden het prachtig en Bach zou het zeker ook prachtig hebben gevonden.

We eindigden de avond met een gezamenlijk gezongen Adios Mi Dushi, overgaand in Plaisir d’Amour.

Onze volgende stop was Aruba en daar hoorde ik weer Bach.

We liepen door het dorpsstraatje en door een openstaand raam hoorde ik – uitstekend gespeeld – wéér de partita voor viool!

Ik klopte aan en zo maakte ik kennis met Charly, een jonge Nederlander geboren op Curaçao, die musicus wilde worden maar niet mocht van zijn vader.

Het was ‘m toch gelukt om bij een Amerikaans orkest te komen maar dat was stukgelopen op werkvergunningen en nu zat hij op Aruba met een boot die hij verhuurde aan toeristen voor diepzeevissen en zwemtochtjes. ’s Avonds ging hij de casino’s in en verzoop zijn pasverdiende geld.

Hij zat vol spannende verhalen over de zee en beweerde dat hij een keer, hangend aan de vin van een haai het halve eiland was omgevaren. Baron van Münchhausen in Aruba.

Haaien, die wilde ik ook wel eens van dichtbij zien en hij bood me aan me mee te nemen.

Niet naar de stranden bij de hotels waar de toeristen lagen. Nee, naar de noordkant van het eiland waar altijd wind stond en waar de kust rotsachtig was. Daar bij de vuilstort zaten en altijd wel een paar.

De volgende dag gingen we erheen.

We deden duikbrillen, snorkels en zwemvliezen aan en Charly nam zijn onderwatergeweer mee.

Vlak naast de vuilstort gingen we de zee in. Het water was desondanks glashelder en de koraalriffen strekten zich onder ons uit. Maar geen haaien. Opeens stootte Charly me aan en ik zag een Baracuda. Een heel onberekenbare roofvis, die eruit ziet als een zilveren torpedo. Prachtig. Langzaam, zich niets van ons aantrekkend schoof hij onder ons door. Charly gebaarde dat hij iets wilde zeggen: “We gaan het verderop proberen. Daar ligt een mooie baai.”

Na een kwartiertje lopen gingen we weer het water in en direct zag Charly een zeeschildpad waarop hij jacht ging maken. De wind was aangewakkerd en het water was daar niet zo helder als daarnet omdat er zand op de bodem lag dat opwarrelde door de stroming. Het werd onmogelijk om de schildpad te volgen want het beest zwom bliksemsnel. Charly dook weer op.

“We moeten terug”, zei hij,”want we zitten in een buitengaatse stroom en anders lukt het ons niet meer.”En floep! Weg was hij.

Ik bleef even watertrappen en zwom hem toen achterna.

Op de bodem was niets meer te zien, zo ondoordringbaar waren de zandwolken geworden. Het zwemmen ging zo makkelijk dat ik helemaal niet het gevoel had tegen een buitengaatse stroom op te zwemmen. Zwom ik wel in de goede richting? Ik hield op om me te oriënteren. Maar de golfslag was zoveel heviger geworden dat ik bijna niet meer over te toppen heen kon kijken hoe ik ook reikte en op een hoge golf ging zitten.

Ik zag geen eiland meer, alleen water, overal om me heen.

Adios mi dushi dacht ik en het melodietje maalde in mijn hoofd. Ik koos maar willekeurig een richting uit en begon te zwemmen. Onder water keek ik niet meer, daar was toch niets te zien. Maar wel voelde ik allerlei beesten aan mijn lijf knabbelen. En wat zag ik daar voor me, was het een haai? Een dolfijn?

Een zilverblinkende vissenstaart. Adios mi dushi bleef het in mijn hoofd rondzingen. Als dat nou eens een wonderschone mulattin zou zijn, een zeemeermin met glanzend bruine huid, die me de weg wees, haar zwarte haren voor me uitstromend op het zeewater, haar staart wenkend. Ik zwom door.

Ineens voelde ik hoe het water waarin ik zwom me als in een reuzenhand opnam, omdraaide, me terugzoog en me daarna met grote kracht tegen de rotsen gooide die daar plotseling uit de zee oprezen. Mijn onderwaterbril werd afgerukt, met mijn schouder viel ik in diep stekende zee-egels, mijn zwembroek  hing op mijn enkels, mijn ellebogen bloedden. Gelukkig had ik mijn zwemvliezen nog aan zodat ik over de rotsen naar de kust kon strompelen. Ik was toch een beetje uit de richting gezwommen en naast de baai uitgekomen waar de branding stuksloeg op de rotsen.

In mijn paniek was ik sneller geweest dan Charly die rustig het baaitje binnenkwam. Hij was totaal niet onder de indruk van mijn spannende verhaal. “Is mij ook wel es overkomen”, was zijn commentaar.

Vijf minuten later – misschien aangetrokken door de geur van het bloed – waren de haaien er.

Maar ik ben niet meer gaan kijken.