Vence 10 juli 2009/ Amsterdam september 2010

 

Nieuw talent

 

Ik was alweer een jaar of 6 werkzaam bij de Vara t.v. als regisseur. Er was al heel veel gebeurd in die jaren. Ik had de eerste liedjes van Gerard Cox op t.v. gezet; alles van het Lurelei cabaret, het Haags Studentencabaret van Rinus Ferdinandusse, ik had een aantal zangers en zangeressen van het Franse chanson naar Nederland gehaald en vele andere liedjes- en cabaretprogramma’s gemaakt. Meestal stelde ik die ook zelf samen. Met mijn achtergrond als Franse zanger uit Parijs beschikte ik over een schat van goede chansons, die ik liet vertalen in het Nederlands. Ook was ik altijd op zoek naar nieuw talent. Zo ontdekte ik dan ook op een avondje bij kennissen Liesbeth List.

Zij zong daar zonder begeleiding een Frans chanson en dat deed ze helemaal niet onaardig. Ik was gefascineerd door haar persoontje – ze was amper twintig – en eigenlijk viel ik als een blok voor haar.

Ze had al wat pogingen achter de rug om als zangeres door te breken, maar dat was nog niet zo erg gelukt. Ik vroeg haar of ze ook in het Nederlands zong.

“Oh nee!”  antwoordde ze. “Nederlands is zo’n prozaïsche taal daarin kan ik niet zingen. “

Ik probeerde haar duidelijk te maken dat “pomme de terre” in de oren van een Fransman nèt zo prozaïsch klonk als “aardappel” bij ons, maar ze leek niet erg overtuigd.

Toen heb ik een middagje georganiseerd in een studio in Hilversum en aan de pianist Jo Spier, met wie ik werkte op de Kleinkunst Academie waar ik les gaf, gevraagd of hij wilde spelen. Ik had het chanson van Jacques Brel meegenomen: “Ne me quittes pas” in de vertaling van Ernst van Altena: “Laat me niet alleen”. Na een middag werken begon dat erg goed te klinken en toen was ze overtuigd: “Ja, het kan toch ook in het Nederlands.”

Vanaf dat moment gingen we op zoek naar geschikt repertoire en daarmee stond ze eerst in “Nieuwe Oogst” van de Avro. Als ik me goed herinner met het liedje : “Johnny Guitar” dat ze erg mooi vond. Het leek me nog niet de juiste keus voor haar, maar daarna kon ik voor de t.v. een paar liedjes programma’s met haar maken die wat meer sfeer hadden. De televisie was toen nog een heerlijke speeltuin, waar je zonder veel problemen mee kon experimenteren.

We maakten iets samen met Dick Rienstra, een volkomen ondergewaardeerd zanger, die een prachtige “crooner”stem had, maar die nooit echt is doorgebroken. Ze zong: “The party is over” gefilmd in “Het Bonte Paard” in Laren met een Pina Bausch-achtig dekor avant la lettre van caféstoelen, half opgestapeld, half omgevallen en in de laatste beelden ontplofde er vuurwerk dwars door haar close up heen.En ze zong ook met heel erg veel emotie een vertaling van een chanson uit de film “Cleo de 5 à 7” : “Zonder jou”. Een triest liefdeslied.

In de manier waarop ze dat zong lag in rauwe vorm alles opgesloten waarmee ze later zo beroemd zou worden. Ik vond het ontroerend en prachtig mooi.

Ik vond haar zelf ook  ontroerend mooi. Ze had iets slavisch in haar gelaatstrekken: hoge jukbeenderen, volle lippen, zoals de vrouwen die later probeerden te krijgen via inspuitingen. Om haar heen hing iets tragisch, alsof ze iets geheim hield. Later begreep ik dat beter. Dat ze een geadopteerd kind was, wist ik al. Mevrouw List, haar adoptiemoeder, die ze zeer liefhad, mocht niet al te veel weten van het leven dat ze leidde in Amsterdam. In haar ogen moest zij het brave oppassende meisje blijven. Niet dat ze nu allerlei dingen deed die zij zou kunnen veroordelen, maar het leven in Amsterdam was toch wel wat losser dan in Vlieland, waar zij woonden, waar haar man vuurtorenwachter was en waar Liesbeth opgroeide.

Later vertelde ze me het hele verhaal van  haar jeugd, het kamp in Indonesië, de zelfmoord van haar moeder, haar vader die hertrouwde, haar moeilijke relatie met haar stiefmoeder. Het kantelmoment in haar leven toen deze op de boot naar Vlieland haar overgaven aan het echtpaar List om door hen geadopteerd te worden. Ze was toen 5 jaar. Genoeg om een aantal trauma’s op te lopen. Dat is het mooie van artiest zijn, waarbij men al zingend allerlei onbenoemde emoties kan uiten en verwerken. Het is soms een therapie waarbij zowel artiest als publiek er beter van worden.

Inmiddels had zij in een café Ramses ontmoet, die ook wel iets in haar zag en die hard bezig was een theaterprogramma te bedenken en te ontwikkelen dat later zou resulteren in “Shaffy- Chantant.” Alleen had hij haar nog nooit zien optreden. Daarom ging hij kijken naar een “viewing” van een aflevering uit de t.v.serie “Voorstelling” die ik op dat moment maakte en waarin ik telkens een beroemd iemand koppelde aan een onbekende nieuwkomer. Dat kon een acteur zijn, een danser, een klassieke zanger en in het geval van Liesbeth had ik haar weten te plaatsen naast Serge Gainsbourg, die ik had laten overkomen om samen met haar “La Javanaise” te zingen. Ditmaal natuurlijk wel in het Frans.

Ik had zelf twee maanden non actief gevraagd omdat ik voor de laatste maal een tournee kon maken door De Verenigde Staten en Canada als Franse zanger.

Deze aflevering had ik voor mijn vertrek gemaakt en tijdens mijn afwezigheid zou een collega

de serie overnemen.

Ik had mijn hielen nog niet gelicht of deze collega wist via allerlei intriges en verdachtmakingen de leiding ervan te overtuigen dat het allemaal heel slecht was wat ik deed en dat hij het veel beter kon en ook een betere presentatrice wist en dus ook beter de hele serie voortaan zou kunnen overnemen. Aan “format” bewaking werd toen nog niet gedaan, dus het feit dat ik de auteur van het idee was werd achteloos weggewimpeld.

Tijdens die “viewing” werd inderdaad beslist dat de aflevering beter niet kon worden uitgezonden en dat de collega maar direct moest beginnen aan zijn nieuwe aanpak.

Ramses was echter zwaar enthousiast over wat hij had gezien van Liesbeth en stelde haar voor met hem samen te werken.

Bij mijn terugkomst moest ik al deze klappen verwerken. Het programma heeft het in zijn nieuwe vorm niet bijzonder veel beter gedaan en de collega is later voortijdig een akelige dood gestorven, dus ik bleek achteraf de juiste reactie te hebben gehad onder het motto: “Als je geschoren wordt moet je stilzitten.”

Ik mocht na een poosje toch weer een eigen programmaatje maken van de Vara, maar het mocht vooral niks kosten. Het budget dat ik toegewezen kreeg was zo belachelijk laag, dat ik allerlei kunstgrepen moest bedenken.

Ik wilde graag  iets doen op de locatie van het kasteel van Belle van Zuilen in Maarssen. Ik vond dat zo’n inspirerende plek en ik wilde iets romantisch, natuurlijk gespeeld door Ramses en Liesbeth. Zij moesten dan door de zalen van het kasteel dwalen, iets zingen en elkaar uiteindelijk ontmoeten wat dan resulteerde in een duet. Dat was het. Eventueel nog een troubadour met een gitaar op de binnenplaats, als het budget het toeliet. Voor de muziek vroeg ik twee vrienden: een nazaat van de familie Philips, die het geld niet zo nodig had en die heel mooi klavecimbel speelde  en Jaap Frank, die in de reclame zat en die het ook deed uit vriendschap en die heel mooi dwarsfluit speelde.

Liesbeth kwam met het idee om via haar vriendin, die met hem een relatie had, aan  de door ons zeer bewonderde dichter Hans Andreüs te vragen of hij de verbindende tekst wilde schrijven. Zo geschiedde en hij zou de tekst zelf wel inspreken op een bandje.

Het programma werd “live” gemaakt en uitgezonden via een 4 camerawagen met een straalverbinding. Er werd niets opgenomen en er is ook niets van bewaard gebleven.

Het was een prachtige zomeravond met laat licht en toen de troubadour iets zong over de moderne tijd, vloog er een vliegtuig voorbij. Een cameraman maakte daar een shot van en het leek  of het allemaal zo bedoeld was. Voor hun duet had ik gekozen voor een vertaling van een chanson van Guy Beart, ook voor die gelegenheid vertaald door Hans Andreus: “In October kwamen wij..” waar mee ze later in Shaffy Chantant  de zaal zo enthousiast kregen.

‘s Avonds bracht ik ze naar huis in Amsterdam en vlak voordat ik Ramses afzette praatten we nog even na over dat bijzondere talent: Liesbeth.

“Ik vraag me af”, zei hij, “of het Nederlandse publiek klaar is voor zo’n Frans georiënteerd meisje.”

“Dat zal nu wel blijken.”Antwoordde ik.

Communicatie ging nog niet zo snel in die tijd. Mobieltjes waren nog niet uitgevonden dus we wisten absoluut niet hoe de uitzending was ontvangen.

De volgende dag ontmoetten we elkaar bij Americain voor koffie. Het was nog steeds mooi weer dus we zaten op het terras.

Het leek wel een receptie. Allerlei kennissen maar ook vreemden kwamen naar ons tafeltje om te zeggen hoe ze waren gegrepen door de sfeer en de poëzie van het programma. Er was toen nog maar één net dus als er gekeken werd had je geen keus. Ik denk nog steeds dat die situatie gunstig was voor kwaliteitstelevisie want men kon gewoon niet wegschakelen naar iets makkelijkers en onvermoed raakte men dan wel geboeid door iets dat men zelf nooit zou hebben uitgekozen.  Enfin, het was een heerlijk moment.

Ramses kende ik nog uit de tijd dat hij Didi Snellen heette. Hij was geadopteerd door een doktersechtpaar uit Leiden en op een dag belde zijn adoptiefmoeder naar mijn moeder, die een pension dreef in Amsterdam.

“Mijn Didi heeft zijn eindexamen gehaald en gaat naar de Kunstnijverheidsschool  in Amsterdam. Kan hij misschien bij u in huis?”

“Ga maar eens kennis maken met die jongen,” zei mijn moeder tegen mij en ik ging samen met mijn toenmalig vriendinnetje Gerda op bezoek.

Didi woonde in een prachtig herenhuis aan de gracht en in de tuin stond een prieeltje dat zijn domein was. Daar dronken we thee.

Nu had ik al gehoord dat Didi een bijzondere jongen was. Heel kunstzinnig, hij barstte van het talent. Dat maakte hij onder andere te gelde door hoedjes te ontwerpen voor de dames in Wassenaar. Die versierde hij dan – heel origineel - met vogeltjes en druiventrossen en het zag er prachtig uit. Alleen hij gebruikte echte, dode vogeltjes en echte druiven zodat het hoedje na een paar weken behoorlijk begon te stinken. Maar de dames waren toch enthousiast want hij ging aan de vleugel zitten en zong namaak Russische liedjes en chansons en wond ze totaal om de vinger.

Wij vonden hem natuurlijk ook te leuk en te aardig en hij werd uitgenodigd voor een tegenbezoek. Maar na afloop daarvan zei mijn moeder dat het – nu ze hem had leren kennen – misschien toch niet zo’n goed idee was om haar Nicootje onder de dagelijkse invloed te laten komen van zo’n ongetwijfeld heel charmant maar ook heel ongeleid projectiel als Didi en hij ging uiteindelijk op kamers.

Maar wij bleven vrienden voor het leven en vanaf dat moment bezochten we alle feesten van de Kunstnijverheidsschool, waarbij hij zichzelf natuurlijk al direct een belangrijke rol had toebedeeld.

Na een jaar besloot hij toch maar naar de toneelschool te gaan. Hij herdoopte zichzelf als Ramses Shaffy en wij woonden jaarlijks zijn overgangsexamens bij.

Een paar jaar later- hij was inmiddels al een gevierd acteur in Amsterdam en ik was met Janine in de cabarets van Parijs aan een chanson carrière begonnen – stond hij ineens voor onze deur.

“Ik wil ook zingen, hier in Parijs.” Deelde hij ons mee.

Nu dacht hij daar iets te makkelijk over. Ik zal niet licht de tijd vergeten dat ikzelf, eindeloos zeulend met de gitaar, langs allerlei etablissementen trok om een auditie te maken, voordat ik ons eerste optreden in de wacht sleepte.  Maar ik kende wel een paar plekken waar je zomaar kon zingen als je wilde. Bijvoorbeeld “La Grange au Bouc “in Montmartre. Als het publiek niet geboeid was mochten ze de artiest wegjagen door te gooien met bestek en zelfs met borden. Die werden daar speciaal voor uitgedeeld.

Hoe het hem precies vergaan is weet ik niet echt, want wij waren zelf te druk met elke avond optreden, minstens in twee restaurants of cabarets om het schamele geldje bij elkaar te sprokkelen waarvan we moesten leven. Maar een week later trof ik hem aan op de boulevard de la Madeleine, vlak bij de Opéra, waar hij op het trottoir met krijt een grote tekening maakte. Ook dat deed hij natuurlijk weer heel talentvol, zodat het schoteltje waarop het publiek zijn bijdrage kon storten snel gevuld werd. Voldoende geld om weer naar huis te gaan.

Maar dat was jaren geleden en nu stond hij op het punt om Shaffy Chantant te starten. Eerst waren er nog wat strubbelingen met de locatie, maar dankzij John Rosinga, een flamboyante maker van reclamefilms, die een enorme daadkracht bezat, werd er een zaal gevonden  langs de Amstel.

Ik zal die avond van de première nooit vergeten. Het publiek was verbijsterd. Men kreeg een show te zien zoals er nog geen bestond. Polo de Haas, klassiek pianist, achter de vleugel, Loesje Hamel, beroemd mannequin, die met een speelgoed pianootje opkwam om de nummers aan elkaar te breien, Liesbeth met haar magische stem, een prachtige verschijning in een witte lovertjesjurk van Frank Govers en dan Ramses: onstuimig, ontroerend, origineel. En als gast Joop Admiraal die gedichten voordroeg van Hans Lodeizen uit “De buigzaamheid van het verdriet.”  Als klap op de vuurpijl de Shaffy Cantate die door het publiek luidkeels werd meegezongen. Het was een instant succes en dankzij de mondelinge doorspraak in Amsterdam vanaf deze eerste avond telkens stampvol.

Mijn enthousiaste verhalen in Hilversum maakten dat ik een registratie van het  optreden mocht maken. Men moest het wel hebben van mijn verhalen want Hilversum was zo insulair dat de leiding nauwelijks de grenzen van het stadje voorbij kwam.

In Concordia in Bussum werd het dekor opnieuw gemaakt: grote doorzichtige bollen, handgemaakt door Joop Admiraal en Marino Westra. Verder hadden de artiesten genoeg aan zichzelf. Het werd een prachtige voorstelling.

Nu was het voor de Vara een jubileumjaar. En daarvoor waren een paar prachtprogramma’s geplanned. Hoogtepunt moest worden: De Mounties. Op de zaterdagavond. Al die programma’s werden op het laatste moment opgenomen, als ze tenminste niet “live” de buis op gingen. Op de generale repetitie van hun show gebeurde er iets vreselijks. Fred Plevier, de partner van  Piet Bambergen kreeg een hartaanval en overleed ter plekke. Hoe moest de zaterdagavond nu worden gevuld? Er was geen rekening gehouden met een “worst case “scenario. Dan moest het in ‘s Hemels naam maar Shaffy Chantant worden.

Soms moet je een beetje geluk hebben. Anders was dat nooit gebeurd. Shaffy Chantant werd uitgezonden op “prime time” en kreeg heel Nederland aan zijn voeten.

Er werd een plaat gemaakt met op de achterkant van de hoes louter juichende kritieken  over het t.v. optreden. Toen werd televisie nog serieus bekeken en elke dag door talloze kranten bekritiseerd.

De Mounties waren een ontdekking van Rudy Carrel en Rudy’s eerste show was het werk van Eimert Kruidhof als regisseur en mijzelf als producer.

Toen ik in 1960 bij de t.v. ging werken had ik nog niet de technische kennis om ook de regie te doen. Ik werd toegevoegd aan Eimert, een oude rot, afkomstig uit de film, die me spelenderwijs de kneepjes van het vak leerde.

Ons eerste programma heette: “Chansons, song of liedjes.” En had als onderwerp de vraag: kun je een liedje eigenlijk wel goed vertalen. Het was ook weer een directe uitzending en aan het begin zong Maya Bouma de song: “Making Whoopy”. Drie dichters, die niet op de hoogte waren van de keus maakten tijdens de uitzending, die drie kwartier duurde een Nederlandse versie, die zij dan aan het eind ten gehore bracht. Die dichters waren Remco Campert, Hans Andreus en Simon Vinkenoog. In die tijd kon je zulke mensen nog achteloos vragen voor zoiets en ze ook zo ver krijgen dat ze het deden.

Ons tweede programma was: “Zoals de Ouden zongen..” Daarvoor had ik drie koppels samengesteld die elk een liedje zongen met hetzelfde onderwerp.

De populaire volkszanger Albert ( Appie) de Booy zong zijn succeslied: “Dat moet je niet doen, Amalia!”

En Adèle Bloemendaal behandelde hetzelfde onderwerp met: “Meisjes, trap er niet in!” Ze zong dat liggend op een sofa met een ellenlange sigarettenpijp en gehuld in iets tijgerachtigs. En dat was direct haar eerste verschijning op de televisie.

Paul Colin, die nog gewerkt had bij Pissuisse zong: “Mensch durf te leven! “ en Jan van der Most, vaste zanger bij de Skymasters, iets  soortgelijks maar dan eigentijds. Het derde koppel was Cato Culp en Greetje Kauffeld. Wat zij zongen weet ik niet meer, maar de verhalen van Cato zijn me bijgebleven. Hoe zij, toen ze in Italië optrad , elke ochtend voor haar hotel een aubade kreeg van de huzaren aldaar en hoe ze als jong meisje reclame had gemaakt voor de fiets. Een nieuw en gewaagd vehikel, waarvoor men zelfs een fietsschool had opgericht op de plek van het huidige Zuiderbad.

Ook dat programma was heel succesvol en Eimert en ik waren ineens de “Golden Boys” van de Vara.

Men vroeg ons of we een groot showprogramma wilden ontwerpen voor de vrijdagavond.

Alle omroepen, veilig ingebed in het zuilenstelsel beconcurreerden elkaar vooral met showprogramma’s.

Rudy had al eens meegedaan met het Euro SongFestival. Daar zong hij, redelijk vals: “Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben!” Het succes was navenant. Maar hij had nu toch een zekere bekendheid. We gingen hem eens bekijken in een voorstelling die hij deed samen met het cabaret Lurelei. Een onmogelijke combinatie en het was dan ook niet veel. Niemand kwam daarin goed tot zijn recht. Maar we zagen toch wel mogelijkheden.

Rudy was de zoon van André Carrel, een echte, ouderwetse conferencier. En eigenlijk gingen de ambities van Rudy niet veel verder. Ik had een hele map vol met korte sketches, die ik hem wilde laten spelen, maar hij twijfelde of hij daar geschikt voor was.

Eimert wilde een rode draad in het programma zonder dat het een rode draad was. Hij zei, heel terecht; “Als je je te veel vastlegt op een rode draad, ga je materiaal weggooien dat goed is en ander materiaal dat eigenlijk niet goed genoeg is gebruiken vanwege die rode draad.”

Zo kwamen we op het idee om als rode draad het decor te gebruiken. De eerste keer werd dat een muziekwinkel, waar Rudy doorheen zou lopen en waar hij achtereenvolgens allerlei situaties zou ondergaan die soms resulteerden in een sketch en soms in een liedje.

Rudy werd steeds positiever.

Op een avond  sleepte hij me mee naar een nachtclub op het Leidse Plein en daar liet hij me “De Mounties “zien. Vervolgens schreef hij zelf een liedje voor twee loodgieters op de wijs van het Italiaanse succesnummer van Adriano Celentano: “Quatro Cento Mille Bace”. Hij bedacht dat Piet stotterde ( altijd leuk) en schreef: “wa wa wa wa waar is mijn nijptang! Ik ka ka kan ‘m niet meer vinden!”

De act sloeg in als een bom. Dit bewijst maar weer dat je iemand met talent maar een klein duwtje hoeft te geven en hij weet zelf meer te presteren dan je ooit had durven hopen.

Rudy was ook ontzettend eigenwijs en een echte straatvechter. Na twee programma’s had ik voortdurend knetterende ruzies met hem totdat hij tegen de leiding zei: “Hij eruit of ik eruit.”Dat betekende natuurlijk dat ik eruit ging. Eimert is hem nog een aantal shows trouw gebleven, maar na vijf producers en drie regisseurs met uiteindelijk een regisseur die alles deed zoals hij het wilde en helemaal aan zijn handje liep – Rudy bemoeide zich ook al met de shots – maakte hij dat briljante programma op een onbewoond eiland met Esther Ofarim als zeemeermin. Daarna kwam Duitsland. Hij is onze formule trouw gebleven en een grote t.v. persoonlijkheid geworden.

Voor mij was het een geluk bij een ongeluk want ik kon nu in alle rust het vak onder de knie krijgen met kleine programmaatjes, die ik naar eigen smaak kon invullen.

Overigens, toen hij tien jaar later naar Nederland terug werd gevraagd voor een serie van 8 afleveringen van een quiz met “De lopende Band” waarop prijzen voorbij kwamen die de kandidaat dan moest onthouden om er zoveel mogelijk van te ontvangen als prijs – een idee dat hij toch niet zomaar had kunnen gappen maar waarvoor hij auteursrechten moest betalen aan Mies Bouman – mocht hij zijn eigen regisseur kiezen. Wie schetst mijn verbazing dat hij mij koos. Misschien wist hij in zijn diepste binnenste dat ik de enige was die hem aandurfde en in het gareel kon houden want hij was inmiddels een behoorlijk moeilijk aan te sturen persoon geworden.

Hij hield zitting in het Marriot Hotel op het Leidse Bosje en hij had een luxueuze levensstijl ontwikkeld.

“Roomservice kost me meer dan ik aan dit programma verdien!” was zijn favoriete kreet.

Hij zocht zelf kandidaten. Zijn keus viel op twee recidivisten die onlangs uit de gevangenis waren ontslagen. De mannen zaten vol hilarische verhalen over de roof van een juwelierswinkel waarbij ze werden gesnapt voor het ingeslagen winkelraam. Tegen de politie hielden ze vol, dat ze toevallig langs kwamen en bezig waren de op straat gevallen juwelen terug te leggen. Ze hadden allebei een werkloosheids uitkering en hadden soms een beetje moeite als ze voor het kantoor van het Gak kwamen voorrijden in hun dure Chevrolet.

Rudy vond het allemaal te grappig voor woorden en ik heb moeten praten als Brugman om hem te doen begrijpen dat dit toch niet de meest geschikte kandidaten waren.

We hebben de serie weten te volbrengen in redelijke harmonie hoewel hij geregeld de hele crew stijfschold en dan in auto terug zich erover beklaagde dat niemand hem aardig vond.

Dan riep hij weer dat in Duitsland alles beter ging en vertelde mij vervolgens een typerend verhaal van de Duitse t.v. over een glas water dat hij ergens op tafel wilde hebben staan en dat gevuld moest worden. Hij had de hoofdtoneelmeester gemeld dat hij dat glas aan de rechterkant wilde hebben. Vervolgens bracht de hoofdtoneelmeester dit over aan de ondertoneelmeester, die klaar stond met een karaf water. Op het laatste moment wilde Rudy het glas toch links en hij zag tot zijn stomme verbazing de ondertoneelmeester die, geheel in verwarring, water ging schenken aan de rechterkant waar geen glas stond.

Goed. Terug naar Shaffy Chantant.

Ik heb daarna nog één programma geschreven voor 1 man en 4 vrouwen. Het heette “Hart tegen Hart.” De man was natuurlijk Ramses en de vrouwen waren Liesbeth List, Loesje hamel, Marijke Merckens, die net een seizoen met Wim Sonneveld achter de rug had. Ze was productie assistente bij de Vara en werd zomaar door Wim gevraagd of zij met hem in zijn one-man show wilde spelen. Ze had geen enkele ervaring maar Wim zag kennelijk iets in haar. Bovendien was ze prachtig mooi en jong en ze heeft het in die show heel aardig gedaan.

De vierde vrouw was Martine Bijl. Ik had haar opgespoord omdat ze een plaatje had gemaakt bij een obscuur maar heel sympathiek platenlabel van twee heren: Levi en Durlacher. Daarop zong ze twee vertalingen van Ernst van Altena. Ik had Ernst gevraagd om voor dit programma het chanson van de zangeres Barbara: “Y a un arbre” te vertalen. Dat werd: “Het Bloemendaalse Bos”

Martine kwam de eerste repetitiedag binnen direct van school. Ze zat nog op het Amsterdams Lyceum. Daar werd ze geconfronteerd met Ramses en die drie bloedmooie succesvolle vrouwen, die er stuk voor stuk prachtig uitzagen.

Zelf droeg ze een vaal regenjasje, het haar werd uit de ogen gehouden met een clipje en ze had platte schoentjes. Ze werd aardig ontvangen want dit was een uitgelezen stelletje aardige meiden zonder kapsones maar er was een wereld van verschil.

Op de volgende repetitie kwam ze wat later.

We moesten twee keer kijken toen ze binnenkwam. Is dit dezelfde Martine?

Ze was naar de kapper geweest voor een moderne coupe, ze droeg een regenjasje van zwarte lak en daaronder witte korte laarsjes van Courrèges.

Toen wist ik dat dit zangeresje het ver zou brengen.

Willen Duys hoorde haar liedje en bracht het uit op zijn nieuwe platenlabel. Hij claimde haar als zijn grote ontdekking en dat is hem gegund, want hij heeft haar en haar carrière veel goed gedaan, maar wij hebben op die repetitiemiddag het nieuwe talent Martine Bijl ontdekt. 

Kort daarna ontmoette ik Herman van Veen.

Mijn chef Joop Koopman – eindelijk een capabel iemand op die plek – zei dat er in Utrecht een misschien wel interessante zanger optrad. Joop kende hem van de radio, waar hij werkte voordat hij bij ons chef werd en was vooral geïmponeerd door het feit dat deze zanger ook heel aardig viool speelde. Hij gaf een voorstelling in de Blauwe Zaal met aan de piano Laurens van Rooyen.

Herman was toen 23 en net klaar met het conservatorium.

Eigenlijk is het helemaal niet zo moeilijk om nieuw talent te ontdekken.

Ik zag daar een aardig ogende jonge hond, met een goed ontwikkelde stem, die allerlei rare fratsen uithaalde op het toneel. Het was super sympathiek en het deugde nog van geen kant.

Na afloop  ging ik ze opzoeken achter het toneel.

Nu moet ik eerst beschrijven hoe ik er toen uitzag. Ik had me op mijn laatste reis naar de Verenigde Staten een zwart Lakense winterjas aangeschaft met een kraag van beverbont. Bovendien rookte ik toen graag een goede sigaar zodat ik in de ogen van een buitenstaander eerder overkwam als een mislukte tenor van de opera van Milaan of als een hele louche impresario.

Na de gebruikelijke complimenten om het ijs te breken zei ik, zwaaiend met mijn sigaar, dat het programma kant nog wal raakte, dat het hem hevig ontbrak aan goed repertoire en dat het enige goede misschien wel het liedje Harlekijn was: een persiflage op een zangoefening op namaak Italiaanse tekst, die hij met veel mimiek en virtuoos stemgebruik tot een hilarisch nummer maakte.

Maar, zo sloot ik af, als hij geïnteresseerd was wilde ik me wel samen met hem buigen over dat probleem  en kijken of ik wat samenhang in het geheel kon krijgen.

En geheel tegen de verwachting in ging Herman daarmee akkoord.

Daarna volgden een aantal ontmoetingen waarbij ik natuurlijk weer met mijn vertaalde chansons kwam. Onder anderen een lied van Charles Aznavour over een neus. Het was een tango en met het refrein wist Herman  enorm uit te pakken met de woorden: ‘Neu neu neu neu neu neu, neu neu neu neus!” Ook ging ik graven in zijn oude repertoire. Daar ontdekten we een heel leuk liedje over een hondje en een hele bijzondere versie van het lied: “Drie schuintamboers, die kwamen uit het Oosten.” Daarbij begeleidde hij zichzelf met een grote trom, waarop hij enorm tekeer ging met twee van die stokken met witte bollen eraan.

We gingen heel hard werken aan een echte one-man-show. Er werden uit de kennissenkring van Herman een paar musici toegevoegd. Allereerst Erik van der Wurf, een klein stil mannetje, die net van zijn moeder een elektronisch toetsenbord had gekregen met alles er op en er aan van effecten. Heel modern voor die tijd en een goede toevoeging aan het klassiek geïnspireerde pianospel van Laurens van Rooyen. Ook kwamen er een bassist en een drummer. Vooral met die laatste had ik moeite. Ik vond eigenlijk dat bij de stijl die Herman had, met al zijn tempowisselingen en hard en zacht gezongen geen drums pasten. Ik moest voortdurend tegen de arme man roepen dat het zachter moest. Gelukkig was het een beminnelijk mens en vol begrip.

Het was tijd voor een eerste try out.

Die had ik georganiseerd op de zolderverdieping van mijn vriend en zanger Justus Bon. Hij was ooit mijn zangleraar geweest en daaruit was een vriendschap ontstaan die duurde tot zijn dood.Hij woonde toen in Amsterdam op de Prinsengracht en bovenin bevond zich een klein theatertje. Ik had mijn agenda uitgeplozen en iedereen uitgenodigd om tegen betaling van één gulden een nieuw talent te komen bewonderen. Ik heb nu nog vrienden die met trots en ontroering tegen me zeggen: “Ik was daarbij!”

Voor het eerst moest het hele programma erdoorheen waarover veel gepraat was: Waarmee moet je openen, hoe is de doorwerking, wat zing je vlak voor de pauze, hoe kondig je die aan enz. enz.

Voor het eerst bespeurde ik bij Herman iets van zenuwen. Hij was ineens weggerukt uit zijn vertrouwde Utrecht, stond voor een wildvreemd, kritisch Amsterdams publiek en leek een deel van zijn aanstekelijke jonge honderigheid kwijt te zijn. In de pauze gaf ik hem en zijn medewerkers, zoals een voetbalcoach zijn elftal toespreekt, een donderspeech en dat bleek te werken. Herman leek herboren en overtrof zichzelf met als beloning een staande ovatie.

Het is vreemd, maar ik heb Herman nooit zien optreden zonder dat hij een staande ovatie kreeg. Maar daarover later meer.

Inmiddels kon Herman voor de televisie optreden in een show van Mies Bouwman. Hij bracht daar met veel verve de: “Drie Schuintamboers.” De volgende dag kondigde de zeer gerespecteerde t.v recensent Nico Scheepmaker aan dat er een nieuw talent was opgestaan. Dat hielp bij het voorbereiden van de eerste echte voorstelling in de zaal van het Singermuseum in Laren.

Nu had Herman een ander vriendje toegevoegd die het licht moest doen: de fotograaf Gerard Jongerius. Het ontbrak hem – en mij eigenlijk ook – aan theater ervaring op dat gebied. Alles wat ik wist ontleende ik aan mijn t.v. activiteiten. Ik had nog nooit van mijn leven een lichtplan gemaakt. Daar had je bij de t.v. je mensen voor. Maar ik had natuurlijk wel heel duidelijk ideeën over hoe ik het wilde hebben. En ik had natuurlijk ook goed rondgekeken. Bijvoorbeeld bij een voorstelling uit Engeland: “Oh what a lovely war.”  Van Joan Littlewood.Het was een spraakmakende musical over de eerste wereldoorlog waarbij alleen maar gebruik werd gemaakt van de holle frases uitgesproken door politici en generaals. En de liedjes werden gezongen op muziek van hymnen en toendertijd populaire vaudeville melodieën. Je werd je op onthutsende wijze gewaar met hoeveel cynisme soldaten de dood in werden gejaagd om een paar meter loopgraaf te veroveren waarmee de generaals dan goede sier konden maken.  Men had mij opgedragen om die in Nederland in twee dagen op t.v. te zetten in de Cinetone studio’s  in Amsterdam. Ter voorbereiding daarvan was ik met de groep meegereisd door Duitsland.

De belichters van die voorstelling waren heel trots op hun moderne aanpak. Ze maakten onder meer veelvuldig gebruik van spots die ze aan weerszijden tussen de coulissen hadden gezet en die een dramatisch effect gaven. Nu was er in een van die Duitse stadjes die we gedurende de week dat ik mee was aandeden een pinacotheek. Daar hingen een paar hele mooie Rembrandts en tot mijn verbazing zag ik dat hij voor zijn dramatische scènes dezelfde lichttechniek gebruikte als mijn Engelse belichters.

Dat was dus een van de effecten die ik wilde gebruiken bij de show van Herman. Een ander belangrijk element was achterlicht. Bij de t.v. werden de personen op de voorgrond ook altijd van achter belicht om ze los te laten komen van de achtergrond. Dat is bij een tweedimensionaal beeld als het televisiescherm natuurlijk heel belangrijk. Bij het toneel werd dat veel minder toegepast. Herman kreeg dus van ons een aureooltje dat hem schattig stond.

Ook hadden we – heel knullig – in het voetlicht een groen spotje gezet dat aanging bij een griezelig liedje en waar Herman dan keurig in ging staan.

Zoals altijd had Herman een neus voor talent, want de fotograaf Gerard wierp zich met enthousiasme op zijn nieuwe taak. In later jaren is hij uitgegroeid tot een veelgevraagd belichter en heeft hij een bedrijf opgebouwd voor de levering van licht en faciliteiten onder de naam “Flash Light”.

In die tijd – meer dan 40 jaar terug -  was de uitrusting van zo’n theater niet te vergelijken met nu, maar we hadden gelukkig een super sympathieke toneelmeester die alles wat we wilden realiseren probeerde mogelijk te maken. Resultaat was dat we tijdens de voorstelling met z’n drieën koortsachtig aan variacs stonden te draaien en met spotjes liepen te slepen.

In de zaal zat Peter Lohr, directeur van de Haarlemse schouwburg.

Hij kwam na afloop Herman feliciteren. Hij vond het een openbaring en de hele show erg professioneel. Vooral het groene spotje was ingeslagen. Ter plekke bood hij 10 dagen Haarlemse schouwburg aan. In die tijd was het ook nog niet zo dat het hele seizoen al minstens een jaar van te voren  dichtgeplamuurd zat en hij kon op korte termijn een plek voor ons vinden.

En daar begon voor Herman de zegetocht. Of tenminste gedeeltelijk.

Wim Kan kwam kijken en schreef na afloop een brief waarin hij letterlijk zei: “Ik ben van mijn stoel gevallen van het lachen!” Hij is ook altijd een grote “fan” van Herman gebleven en ze hebben een heel mooi contact opgebouwd.

Een paar dagen later kwam Wim Sonneveld, samen met John de Crane. Zij schijnen gezegd te hebben bij het verlaten van het theater: “Iedereen die hiervoor vijftien gulden heeft betaald is  bestolen.” We waren woedend en verbijsterd. We vonden het een oncollegiale rotstreek en begrepen het niet. Ik vooral niet. Ik had een hele goede verstandhouding met Wim; ik had voordat ik naar Parijs ging anderhalf seizoen in zijn cabaretgezelschap gezeten  en ook na terugkomst in Nederland gingen we vriendschappelijk met elkaar om.

Ik liet het er niet bij zitten en belde hem voor een afspraak om het uit te praten. Enige mogelijkheid bleek in Groningen want hij zat midden in een tournee.

Dus gingen Herman en ik naar Groningen.

Toen werd er veel duidelijk.

Wim ging er van uit dat het allemaal veel te snel ging voor dit jonge talent. Want dat het een talent was onderkende hij wel. Maar al die “exposure” op radio en televisie. En een langspeelplaat! Want, ja, ik had een contract weten te regelen met de heer Garritsen van Dureco die Herman aannam met de woorden: “Wij vinden het ook belangrijk om wat minder verkopende kwaliteitsplaten te maken voor op de lange termijn. “ “Famous last words,”kan je zeggen want een paar jaar later was Herman de best verkopende artiest van het label.

Terug naar Wim: “En de brutaliteit om bij het begin van de voorstelling van achter uit de zaal op te komen. Dat kun je pas doen als je 20 jaar ervaring hebt en als de mensen je kennen!”

Enfin, zo ging het door. Het was duidelijk dat hij het niet kon verdragen dat zo’n fris jong talent ineens opdook en allerlei voor hem heilige regels van de showbusiness aan zijn laars lapte. Hij voorspelde dan ook dat Herman zich binnen de kortst mogelijke tijd over de kop zou werken en dat het succes zich tegen hem zou keren. Wijze woorden waar ik later nog wel aan terug heb moeten denken, maar op dat moment hadden we er geen oren naar.

Hij vertelde ons dat hij ook een jong talent onder zijn hoede had, die hij voorlopig heel kleinschalig liet optreden in de provincie om hem dan geleidelijk de grotere dingen te laten doen. We waren heel nieuwsgierig om te weten wie dat dan was.

Het is een beetje onaardig om nu die naam prijs te geven want de persoon in kwestie was en is ons bekend en nu nog steeds een artiest met veel kwaliteit, een overtuigende staat van dienst   en bovendien een zeer beminnelijk mens. Maar toch niet te vergelijken met het overrompelende talent van Herman.

De naam is Riens Gratema.

Wij onthielden ons natuurlijk van commentaar en het gesprek werd steeds gezelliger.

Aan het eind kwam Wim nog met de suggestie – zakenman als hij was – of het niet een goed idee was als hij het management ging doen van de prille carrière van Herman.

Herman antwoordde heel diplomatiek dat hij het in overweging zou nemen.

Op de terugweg in de auto zeiden we zo nu en dan tegen elkaar: “Riens Gratema”, en vielen dan in een onbedwingbare slappe lach.

De Vara wilde wel een t.v.serie met Herman in voorbereiding nemen en ik kreeg het royale aanbod om hem wat artistieke opvoeding te laten krijgen door hem en Laurens van Rooyen mee te nemen naar Londen.

Onze gids daar was Lesley Roberts.

Lesley was een oude “pro” van over de 60 met een schat van ervaring op het gebied van t.v., showbusiness en vaudeville. Hij was ons toegevoegd door onze allerhoogste baas Piet te Nuyl, die een heilig ontzag en grote bewondering had voor de BBC.  Hij hoopte via Lesley alle goede dingen van de BBC bij ons binnen te brengen.

In eerste instantie verzette ik me hevig tegen zo’n van boven opgelegde “adviseur”. Ik beschouwde hem als een pottenkijker en vond mijzelf mans genoeg om mijn eigen beslissingen te nemen. Deze houding sloeg om toen Lesley tijdens het eerste gesprek zei:

“Ik hoop dat je naar me wilt luisteren, maar je hoeft niets van wat ik adviseer op te volgen. Ik ben slechts je adviseur.”

Toen dacht ik: “Ik ben wel gek als ik niet profiteer van zijn ervaring.” En vanaf dat moment is een goede vriendschap ontstaan.

We werden van vaudevilleshow naar musical comedy gesleept. We woonden in een klein hotelletje achter Picadilly Circus: “Manzies” , gedreven door Cyprioten en voorzien van een uitstekend visrestaurant. Op de eerste verdieping was het ontbijtzaaltje en daar stond een piano. Het kwam vaak voor dat de gasten ongevraagd getrakteerd werden op een geïmproviseerd optreden van Herman en Lou, waarbij ook de viool nog even werd uitgepakt. De jongens waren niet te stuiten. Het moest eruit al was het maar tijdens het ontbijt.

Verder was er een stel jonge meiden die de dansgroep “Pan’s People” vormde en die ik via anders shows van mij kende.  Met hen gingen we naar de discotheken die in de mode waren zoals “Revolution”, waar de Beatles en de Rolling Stones ook geregeld kwamen. Het was een stoomcursus. Herman zoog alles op als een spons.

Het mooiste voorbeeld was ons bezoek aan de musical; “Cabaret”.

De ceremoniemeester werd gespeeld door Joel Grey en het was een onvergetelijke ervaring.

Hij eindigde de voorstelling met een waanzinnige buiging die wel twee minuten duurde. Voor ons gevoel dan.

Bij terugkeer sloot Herman zijn voorstellingen af met net zo’n buiging. Wim Sonneveld zou er misschien schande van hebben gesproken. Ik zag het meer als een eerbewijs. Aan Joel Grey en aan alles wat hij in Londen had opgestoken.

De theatershow van Herman bestond vooral uit liedjes waarbij hij alle registers open trok en vreemde, bizarre en onverwachte overgangen. Het begon steeds beter te lopen en het succes was navenant.

Als ik wat kritiek had, was het dat er weinig plek was voor iets gevoeligs. Dat ging Herman ook niet zo goed af. We hadden daar ook wel gesprekken over. Volgens mij lag er ergens een barrière.

Herman ging uit van het principe, zoals hij dat had geleerd op het conservatorium, dat je een lied eerst van tekst en melodie volkomen moest beheersen voordat je kon gaan denken aan de interpretatie. Ik was het daar niet mee eens. Ik wilde hem wel eens laten beginnen bij de interpretatie.

Ik ging geregeld naar Utrecht – Herman woonde nog thuis – om daar met hem wat nieuw repertoire door te nemen.

Ik had een mooie vertaling gekregen van het chanson van Jean Ferrat: “On ne voit pas le temps passer.” In de vertaling door Ferenc Schneiders: “Is het een grap of om te huilen”. In de tekst wordt de dagelijkse sleur beschreven waarin een huwelijk terecht komt na het eerste romantische begin.

Ik had mijn gitaar bij me en zong het lied een keer voor.  Toen zei ik: “Herman, je bent muzikaal genoeg om de melodie zo ongeveer te kennen, hier is de tekst. Zing het nu eens een keer helemaal vanuit je gevoel.”

Dat deed hij en we namen het op met de tape recorder.

We luisterden het af en hij kreeg tranen in zijn ogen.

”Wat gebeurt er?”vroeg ik.

“Niks”, zei hij, “maar ik vind mijn stem zo mooi.”         

“Je hebt toch een mooie stem, dat weten we toch?”

“Ja, dat zeggen ze altijd. Maar ik vind het niet.”

“En nu wel? “

“Ja, nu wel”.

“Dat komt omdat je voor de eerste keer naar je eigen gevoel luistert.”

En toen kwam zijn moeder met een kopje thee.

 

De televisieshows lieten zich aanvankelijk aanzien als een gouden greep. Maar al gauw kwamen we in een soort stroomversnelling waar Wim Sonneveld ons voor had gewaarschuwd. We dachten dat alles wat we aanraakten vanzelf goud werd. We verloren ons kritisch vermogen  en ik slaagde er niet in om het zinderende gevoel dat Hermans theateroptreden zo bijzonder maakte met dezelfde hevigheid door het t.v.scherm heen te krijgen. Na twee shows was de kritiek slecht. We besloten zo snel mogelijk te stoppen vooral ook om het beginnende theater succes niet ongunstig te beïnvloeden.

Er viel veel uit te leggen tegenover de pers. En ondanks het verschrikkelijke wanneer je moet uitleggen dat je hebt gefaald, gebeurde er iets heel moois. Herman hield stijf vol dat het allemaal zijn fout was en ik riep net zo hard dat het mijn fout was. En dat is in dit vak, maar natuurlijk ook in alle vakken iets heel bijzonders. Het succes heeft vele vaders en als het mis gaat heeft de ander het altijd gedaan. Niet dus, dit keer. En dat is de basis geworden voor een lange vriendschap die nog steeds duurt al zijn er ook momenten geweest van verwijdering.

Dat eerste gevoelige liedje: “Waar blijft de tijd” had veel losgemaakt.

We zetten het in de show en hij moest het zingen in de krul van de piano. Eerst moest hij zich helemaal los maken om de goede sfeer te krijgen voor dat onderwerp. Maar het publiek was zo gewend aan bizarre overgangen dat hij alleen maar een wenkbrauw hoefde op te trekken of men dacht dat er weer iets grappigs kwam. Maar als het wel lukte ging er een golf van ontroering door de zaal.

Voor Herman was het alsof er een sluis was opengezet. Zijn repertoire ging steeds meer die kant uit met als voorlopig hoogtepunt de opname van de song van Leonard Cohen: “Suzanne”. Herman was op slag een tiener idool.

Inmiddels was er rondom zijn optreden een hele organisatie ontstaan. Hij had nu een chauffeur,  een secretaris, een voorzitter van de fan-club.. allemaal maten, die meegingen en na afloop hem op de schouder sloegen en met hem gingen biljarten. Ik stak daar een beetje bleekjes bij af met mijn papiertjes vol kritische opmerkingen en geen zin in biljarten.

Ik vond bijvoorbeeld dat hij nu veel te veel de gevoelige kant opging, teveel de goeroe speelde voor de jonge meisjes en teveel van het speelse en bizarre van zijn begin was kwijtgeraakt.

Op een dag zei ik: “Herman, ik heb het gevoel dat jij me niet meer nodig hebt en ik heb jou ook niet nodig, laten we de samenwerking stoppen.”

Het kwam als een schok en hij was behoorlijk in zijn wiek geschoten, maar ook dat hebben we goed opgelost. Ik heb mijn kritiek op de richting die hij uitging nooit onder stoelen of banken gestoken, maar ik zei er altijd bij dat ik zeker wist dat het tijdelijk was en dat Herman – met zijn intelligentie -  zelf weer de goede richting zou weten te vinden. En twee jaar later was het zover. Hij bracht een briljante show in Carré met een perfecte mix tussen grappig, bizar en gevoelig en we sloten elkaar weer in de armen.

Het was ook in theater Carré, na weer een prachtig optreden van Herman, dat een journalist op me afkwam en zei: “Herman zal het wel erg vinden als hij hoort dat Wim Kan zojuist is overleden.” Ik stond aan de grond genageld. Die journalist besefte niet dat het bericht ook voor mij als een schok kwam. Ik had alle Oudejaarsprogramma’s van Wim Kan op televisie gebracht inclusief die enigszins catastrofale laatste show en er was een diepe band ontstaan met hem.

Ik zal nooit het beeld vergeten hoe we in de kleedkamer van Herman zaten nadat hij dit gehoord had.

Hij was in badjas en hij had aan zijn voeten nog die rode hoge hakken damespumps waarmee hij zijn laatste nummer afsloot.  Het was een tragisch moment en we waren allebei blij dat we dat samen in stilte konden verwerken.

 

Inmiddels was ik samen met journalist Frans van Lier een “Werkwinkel”  begonnen. Een vehikel om tekstschrijvers en componisten bij elkaar te brengen en om het Nederlandstalige chanson te promoten. Vol enthousiasme organiseerden we bijeenkomsten in een lokaal in de Heintje Hoeksteeg in Amsterdam, ook belangeloos beschikbaar gesteld, net als de piano. We wisten een bonte groep zangers te verzamelen zoals Joost Nuisl, Ellie en Rikkert, Hans Otjes, Robert Smit, Dick Poons, Odille, Floortje Klomp,Marianne Delgorge, Tim Visterin, Marnix Kappers en dan natuurlijk Lenny Kuhr. Ik zei altijd tegen de deelnemers ( het waren er zo’n stuk of dertig) dat als er uit hun midden drie artiesten zouden doorbreken het initiatief geslaagd genoemd mocht worden. De anderen vormden dan de voedingsbodem.

Herman van Veen deed ook nog even mee, maar hij was eigenlijk al te ver en zelf al te goed bezig. Maar Lenny was door ons uit Eindhoven losgeweekt en wist met haar prachtige  originele stem en het overtuigende liedje: “De Troubadour” een deelname aan het Eurovisie Songfestival weg te slepen voor de neus weg van allerlei zwaar gesponsorde collega’s. Toen kreeg ik te maken met de vijandigheid van zo’n Willem van Kooten. Het doorkruisde de plannen die hij had met zijn artiesten en hij was behoorlijk pissig en dat zei hij me ook in mijn gezicht.: “Dat soort initiatieven van jou zou verboden moeten worden!”zei hij letterlijk. Als diskjockey bij Veronica onder de naam Joost de Draaier veroorloofde hij zich de meest louche praktijken om die plaatjes te promoten waaraan hij goed geld verdiende. Het wereldje van de omroep was toen nog zo naief dat men het maar allemaal toeliet. Gearrangeerde hitparades. Afspraken met artiesten dat hun nummer alleen zou worden gedraaid als hij mee mocht tekenen als auteur, of tenminste de B kant van de plaat mocht leveren.Zo was hij verantwoordelijk voor een groot deel van de smaakvervlakking van het Nederlandse luisterpubliek. Het genre dat ik propageerde werd door hen overal en altijd tegengewerkt of belachelijk gemaakt. En nooit zou er een plaat van onze artiesten op de hitparade komen. Daar zorgden zij wel voor.  En zo iemand zegt tegen mij dat ik verboden moet worden. Gelukkig heeft het internationale succes van Lenny daarna hem wel de bek gesnoerd en ook het succes van Herman met : “Suzanne”  heeft hij niet weten te verhinderen.

Later is het me nog een keer gelukt met Heddy Lester en : “De mallemolen van het leven.”

Ik had toen de opdracht om het Nationale Songfestival op t.v. te brengen en een groot aantal artiesten had bandjes ingestuurd voor de selectie. Het wereldje van de showbusiness was toen al heel wat meer geprofessionaliseerd en de meesten hadden al een plaatcontract, een manager, een persagent en een bandje opgenomen in een professionele studio met alles er op en eraan als begeleiding.

En dan had je dat ene cassettebandje van Heddy, opgenomen bij de piano met haar broer en gebrekkig van geluidskwaliteit. Maar het liedje was uitstekend en haar stem ook. Ik luisterde het af samen met de orkestleider, Harry van Hoof. Overigens een onkreukbaar en zeer kapabel persoon.

“Nou, dat kan natuurlijk niet.”zei hij lachend.

“Waarom niet?”vroeg ik

“Het is te amateuristisch.”antwoordde hij.

“De uitvoering en de opname, ja,”zei ik “maar het liedje is uitstekend en die stem ook. Zou zij niet mee  mogen doen omdat ze nog geen plaatcontract heeft en geen studio tot haar beschikking?

Enfin, zij mocht meedoen. Ze kreeg via vrienden een prachtige haute couture jurk uit Londen en ik moet toegeven dat ik misschien extra mijn best  heb gedaan op de presentatie maar het publiek wist de kwaliteit te herkennen en koos haar tot winnares tot grote woede van het vijandelijke kamp.

Dat de zang carrière van Heddy daarna niet echt uit de verf is gekomen ligt meer aan haar enigszins wispelturige karakter maar het liedje is terecht bekend geworden.

 

De “Werkwinkel”is na een groot aantal succesvolle optredens in theaters, tijdens het boekenbal, voor de Buma en voor de t.v de nek omgedraaid door het Gak.

Men had in zijn drang naar sociale betutteling besloten dat artiesten niet meer als zelfstandig ondernemer mochten optreden maar in dienstverband moesten staan met de organisator. Die moest dan vervolgens de sociale lasten afdragen. Dat was voor hen makkelijker te incasseren dan bij al die mensen apart. Zodoende kreeg ik ineens achteraf een aanslag voor achterstallige sociale lastenafdracht van enkele tienduizenden guldens. Het geld dat ik ontving voor de optredens was – met inhouding van wat postzegelgeld voor ons – uitbetaald op basis van gelijkheid – iedereen kreeg evenveel – en ik was echt niet van plan om achteraf aan al deze mensen nog eens geld terug te vragen als inhouding van sociale lasten. Dus moest ik het zelf ophoesten. De deurwaarder werd een geregelde gast en bij een kopje koffie kon hij zelf ook zijn gêne over deze maatregel niet verbergen. Zo wordt idealisme bestreden. Is het niet door de commerciële piraten dan verzint Vadertje Staat wel een idiote maatregel.

 

Ik maak nu een sprong naar ongeveer 1990. Ik was met mijn vrouw in Parijs.

Een van mijn favoriete kreten was: “Elk excuus om naar Parijs te gaan is een goed excuus.”

Inmiddels was de roem van Hermanvan Veen tot grote hoogte gestegen. Vooral ook in Duitsland trad hij op voor stadions vol enthousiaste mensen, hij was in de Verenigde Staten geweest en in Nederland trad hij maandenlang op in een uitverkocht Carré. Maar hij wilde ook doorbreken in Frankrijk. Hij had al eens een keer in de beroemde Music Hal; l’ Olympia gestaan, maar toen zaten er voornamelijk Nederlanders in de zaal. Nu las ik in het uitgaansgidsje dat hij vlak bij de Place de la République een klein theater had afgehuurd van ongeveer driehonderd plaatsen: “Le Déjazet”. Ik besloot twee plaatsen te kopen voor een van de eerste voorstellingen omdat ik razend benieuwd was naar de reacties van het Franse publiek.

We zaten ergens op de vijfde rij en Herman begon heel overtuigend in het Frans. Een accent is voor het Franse publiek nooit een bezwaar. Als het maar leuk klinkt. Tino Rossi en Dalida zijn daar goede voorbeelden van.

Na drie liedjes zei Herman: “Et maintenant une chanson pour Nico.”En hij zong zijn beroemde Harlekijnlied.

Hij had door het gaatje in het gordijn ons zien zitten en wist me hiermee te verrassen.

Niet alleen mij maar ook het Franse publiek en aan het eind van de voorstelling maakt ik mee dat ze als één man uit de stoelen kwamen voor een staande ovatie. Iets dat in Frankrijk helemaal niet gebruikelijk is. Ik was diep ontroerd. Als je een succesvol artiest bent heb je bij je publiek al de helft van het pleit gewonnen. En alles wat ik in de afgelopen jaren van Herman had gezien speelde zich dan ook af in die verworven plek van een bekend en geliefd artiest. Maar hier stond hij voor een publiek dat hem niet kende en dat hij vanuit het niets moest boeien en veroveren en het mirakel voltrok zich weer net als tijdens de eerste jaren dat ik met hem werkte.

Nu speelden Parijs en het theater vlak bij La République ook een grote rol bij mijn ontroering.

Toen ik 15 was zag ik in Cinema Alhambra in Amsterdam de film: “Les enfants du Paradis.”Van Marcel Carné en Jacques Prévert. Die film is smaakbepalend geweest voor de rest van mijn leven.  Hij was opgenomen precies op die plek in Parijs. Ik zag Jean Louis Barrault als de beroemde mime kunstenaar en Pierre Brasseur als de komediespeler en ik raakte in de ban van de betoverende Arletty. En alles wat Prévert verder heeft geschreven heeft daar ook veel aan bijgedragen. Ik had geprobeerd mijn liefde voor het chanson over te dragen op Herman en dat was gelukt. In zijn persoon bleek hij ook nog eens de capaciteiten van een mime en een komediant te combineren en ik zat er naar te kijken op de plek waar dit allemaal al eens had plaats gevonden. Bij “Les enfants du Paradis.”.

Nu moet je als coach en als regisseur een grote bescheidenheid betrachten. Je kunt een talent niet maken. Je kunt hoogstens de weg naar het succes en de erkenning wat versnellen. Bovendien had ik maar een klein stukje van de loopbaan van Herman meegemaakt.

Maar daar op dat moment in dat theatertje in Parijs had ik het gevoel dat ik hem had afgeleverd op de plek waar hij thuishoorde. Voor mij was de cirkel rond

 

Vence, 10 juli 2009.

 

Dit jaar 2010 is Herman 65 geworden. Hij heeft dat gevierd met een gigantisch programma in Carré, bestaande uit  drie blokken, die parallel liepen met de periodes in zijn leven. Hij had allerlei artiesten en persoonlijkheden uitgenodigd die belangrijk waren in zijn leven en aan het eind zongen zijn beide dochters Babette en Anne een ontroerend duet. Zijn zoon Martijn zat aan de knoppen van het geluid en zijn vrouw Gaëtane danste een prachtig ballet.

Deden mee onder anderen: Claudia de Brey, Thé Lau, Paul van Vliet, Daniel Lohue, een originele zanger die in het Drents blues achtige liedjes zingt, …..

Tussen de blokken door had hij in alle hoeken en gaten van het theater en in de belendende restaurants acts geprogrammeerd van jonge artiesten die hij de moeite waard vond.  Zo luisterden we in de eerste pauze naar een zeer originele dichter: ….. en in de tweede naar een zangeres, vers van de opleiding: … en dan hadden we er nog een paar gemist, die elders optraden. Aan het eind stond iedereen op het toneel. Ruw  geschat zo’n 50 man en zongen we gezamenlijk een lied over vriendschap. In de zaal had zo ongeveer iedereen de tranen in de ogen.

Ik zeg: “zongen we” omdat ik daar ook stond.

Herman had me gevraagd voor het eerste blok en kondigde me aan met de meest complimenteuze woorden: “Nico was voor mij een mentor”.

Ik zei tegen het publiek van Carré de woorden waarmee ik  bovenstaand stuk afsloot: men kan een talent niet maken, hoogstens ondersteunen en misschien hem iets doen ontdekken waarvan hij zelf nog niet wist dat hij het kon.

En ter illustratie zong ik een chanson van Jean Ferrat, half in het frans en half in het nederlands: La montagne/het dorp. Ter ere van het eerste gevoelige liedje van de hand van Jean Ferrat dat ik hem had laten zingen. Bovendien was Jean net de dag ervoor overleden, wat dit eerbewijs een bijzondere extra emotie gaf.

De volgende dag gingen we in een bus naar Antwerpen, waar we het programma nog eens dunnetjes overdeden voor het Belgische publiek.

Ik werd opgenomen in het wereldje van Herman en zijn medewerkers, een groep van voornamelijk vrouwen die hem totaal was toegedaan. Het was als een warm bad en voor mij een groot cadeau om dit te mogen ervaren.