Een gelukkige jeugd

 

Wanneer kun je zeggen dat je een gelukkige jeugd hebt gehad?

Misschien ligt het wel heel erg aan jezelf, aan je incasseringsvermogen, aan je wil om van elke omstandigheid iets goeds te maken of – in ieder geval – er iets goeds uit te halen.

 

Ik heb een gelukkige jeugd gehad.

Ondanks het feit dat in 1940 de oorlog uitbrak.

 Ik was in 1939, tijdens een vakantie in Zwitserland net vijf geworden en had bij een loterij in het dorpje Les Diablerets de eerste prijs gewonnen: een taart. Iets dat ik heel normaal vond – ik was toch jarig – maar dat mijn twee jaar oudere zusje hels jaloers maakte. En jarig èn een taart. Zo onrechtvaardig. Dat is altijd een verschil gebleken in onze karakters. Zij opstandig, ik constaterend om er vervolgens het beste van proberen te maken.

We reisden terug naar Nederland met de laatste trein. Ik herinner me een Duits perron waar wij beide kinderen op ons jongste broertje moesten passen, bovenop een berg koffers, terwijl mijn moeder weg moest om de benodigde papieren te laten stempelen. Spannend, die verantwoordelijkheid.

 

Mijn beste vriendje heette Sammy Cohen. Hij woonde twee huizen verder in de Jan van Eyckstraat , Amsterdam Zuid. Over het dak konden we naar elkaars kamer lopen. Uiteraard wisten onze ouders daar niet van.

De dag dat hij en zijn hele familie sterren moesten gaan dragen vroeg ik aan mijn  moeder: “Waarom?” Zij kon het me ook niet uitleggen, behalve dat de moffen alle joden apart wilden zetten omdat ze hen van allerlei de schuld gaven.

 “Maar Sammy toch niet? “

 “Nee, geen van allen. Die Duitsers zijn gek en slecht. Maar we mogen het niet laten merken want zij zijn onze bezetters.”

“En als ik  Sammy nou een jasje van mij laat dragen? “

“Dat zal niet helpen. Ook zonder ster herkennen ze hem wel als een joods jongetje.”

Dat was een nieuw aspect. Ik had me tot op dat moment niet gerealiseerd dat een verschil in uiterlijk ook een verschil in ras aangaf.

Sammy had me wel uitgelegd dat hij joods was. En ik vond die matzes met suiker heel lekker.

Ook had hij me verteld dat hij besneden was. Dat was tijdens gymnastiekles in de eerste klas van de lagere school. We hadden onze piemeltjes vergeleken en hij zei dat hij door die ingreep heel groot en sterk zou worden.. Veel groter en sterker dan ik, bedoelde hij. Ik vond dat absolute flauwekul en ik geloofde er geen barst van.

Later hebben we nog een bloedband gesmeed. Dat deden we door met een speld in onze vinger te prikken totdat er bloed kwam en dat te vermengen terwijl we de heilige eed uitspraken die ons vanaf dat moment bloedbroeders maakte en volwaardig lid van de Bende van de Zwarte Hand, in navolging van onze jeugdheld Pietje Bel..

Toen werd de hele familie weggehaald . We hoorden dat het huis binnenkort betrokken zou worden door een familie van Duits gezindten.

Ik ben toen over het dak nog één keer naar de kamer van Sammy gegaan. Ik zag al zijn spullen en de tinnen soldaatjes, waarvoor ik hem zeer benijdde. Ik speelde met de gedachte die mee te nemen, maar ik kon het niet. Liever had ik dat een of ander Duits gezind jongetje er mee zou spelen dan dat ik bij het zien van die soldaatjes moest denken aan het lot van Sammy en zijn familie, waarvan we op dat moment nog niet alles wisten maar waarvan we wel vermoedden dat het heel erg was. Ik wilde niet profiteren van het onrecht dat hen was overkomen.

Het is een van de belangrijkste beslissingsmomenten van mijn jeugd geweest.

 

Een ander belangrijk moment had te maken met mijn vader.

Hij was een zeer bekwaam chirurg maar  hij had een alcoholprobleem.

Ik zat in de derde klas en wist daar nog niks van.

Het was midden in de oorlog en ‘s zomers gingen we elke dag zwemmen in het Abcoudermeer, een redelijk klein plasje water, dat in mijn ogen toch een onmetelijke afstand vertegenwoordigde als je het zwemmend moest oversteken. Maar ik had het in mijn kop gezet dat ik dat toch zou volbrengen. Ik was nogal trots op mijn zwemkunst en ik wilde dat graag aan de hele wereld bewijzen. Mijn vader, die heel aardig omging met zijn kinderen, had beloofd dat hij dat samen met mij zou doen, in de namiddag, na zijn werk. Hij zou de trein nemen en ik zou hem afhalen bij het station.

Toen we door de dorpsstraat liepen richting het meer viel het me op dat hij niet recht liep. Hij zwalkte een beetje en de spaarzame woorden die hij sprak kwamen er een beetje moeilijk uit.

Ineens drong het besef tot me door: hij is dronken.

Dronkenschap was een fenomeen dat mij natuurlijk ook wel bekend was, maar je verwachtte het niet bij je vader. Tot op dat moment was hij de autoriteit,  het onwrikbaar ijkpunt van mijn jeugd. Maar, wat nu?

Ik vond het onverantwoord om hem in die toestand die zwemprestatie te laten verrichten. Dus zocht ik koortsachtig naar een manier om het niet door te laten gaan.

Te koud, te laat op de dag, misschien toch te vermoeiend. Maar hij wilde van geen wijken weten. Ik was ten einde raad. Ik durfde hem onder geen beding te zeggen: je bent dronken en dit moet je dus niet doen. Dat vond ik te pijnlijk. Het moment dat hij van zijn voetstuk was afgeduikeld was nog te dichtbij,  te vers.

“Ik durf niet.”gooide ik er eindelijk uit.

“Wat nou, je bent toch een gezonde Hollandse jongen? “

“Ja, maar...ik durf echt niet. Misschien een andere keer.”

De beslissing om zelf zwakte voor te wenden en zo mijn vader tegen zichzelf te beschermen  was een hele moeilijke.

Vanaf dat moment waren de momenten van dronkenschap me veel duidelijker en veel onverklaarbare zaken werden daardoor verklaard.

Ik herkende de trekken van zijn gezicht als het weer zover was, ik hoorde de ruzies met mijn moeder als hij ’s avonds laat thuis kwam en zij hem voor de voeten wierp: “Je bent weer dronken!” In mijn kinderbrein voorzag ik  gevaarlijke situaties en besloot te slapen met een stuk hout onder de dekens. Ik moet hierbij aantekenen dat hij nooit en te nimmer aanleiding heeft gegeven voor deze angsten. Een paar jaar later werd de situatie zo ernstig dat hij niet meer te handhaven was in zijn vak en als oplossing werd hij afgevoerd naar Indië, dat nog net geen Indonesië heette. Zo verdween hij, vlak na de oorlog uit mijn leven en liet mijn moeder achter in nogal benarde financiële toestand. Hij stierf vrij snel daarna aan een hartaanval . Hij was toen nog geen 50 en je kunt je afvragen in hoeverre hij daaraan zelf heeft meegewerkt.

 

Zo tegen het einde van de oorlog – de hongerwinter moest nog komen – werd onze buurt in Amsterdam Zuid gebombardeerd.  Op de Euterpestraat ( later herdoopt als Gerrit van der Veenstraat) stonden twee scholen waarin de Duitse Sicherheitsdienst was gevestigd.  De naam van de straat had een onheilspellende betekenis gekregen. Als je op de Euterpestraat werd ontboden betekende dat gevangenis en deportatie. De geallieerden besloten dat deze plek gebombardeerd diende te worden en op een zondag was het zo ver.

Mijn vader en ik waren op ravitaillering. Dat betekende dat we bij boeren in Ouderkerk en omstreken aardappelen, melk en soms boter gingen halen. Dat ruilden we met sigaren. Mijn vader had daarvan een grote voorraad die ons de hongerwinter heeft doorgesleept.

Aan het begin van de verwikkelingen die later tot vijf jaar oorlog zouden leiden, dacht hij – net als velen – dat de situatie maar een paar maanden zou duren en niemand maakte zich toen nog grote zorgen. Een Joodse sigarenwinkelier naast het ziekenhuis waar hij zo nu en dan sigaren kocht, dacht daar anders over. Hij slaagde erin om aan mijn vader zo ongeveer zijn hele voorraad te slijten – ook mijn vader was niet behept met een grote handelsgeest en liet zich makkelijk ompraten – hing vervolgens een briefje aan de winkeldeur met de tekst: “Ben zo terug” en vertrok naar Amerika. Toen de voorraad bij ons thuis werd afgeleverd werd er nog een hartig woordje gesproken tussen mijn moeder en hem over het feit dat hij zich zo had laten beetnemen. Maar al snel ging het er niet meer om die voorraad zo snel mogelijk op te roken, maar werd het onschatbare handelswaar. We vertaalden alle noodzakelijke benodigdheden in sigaren. Een mud aardappelen: zoveel sigaren, een pond boter: idem.

En zo gingen we ook de boer op. Op de fiets met een doosje sigaren.

Terwijl hij op de werf aan het onderhandelen was, klonk er luchtalarm en zagen we geallieerde vliegtuigen die ongebruikelijk laag vlogen. Luchtafweer knalde en ineens ontstonden er grote rookwolken. Een bombardement.

“Je zou zeggen dat het niet ver bij ons vandaan is,” zei mijn vader.

We sprongen op de fiets en gingen zo snel mogelijk huiswaarts.

Bij de Apollolaan was alles afgezet. Mijn vader mocht er toch door. Hij schijnt van een daar aanwezige arts te hebben gehoord: “Collega, bij jou thuis is alles in orde.” Maar ik heb dat niet gehoord. We woonden op drie huizen afstand van een van de scholen. Ik was pas  gerust toen we in de straat aankwamen, de deur van ons huis stond wagenwijd open en mijn moeder en mijn zusje waren druk bezig met allerlei vreemden.

Ze zouden net beginnen met de lunch toen het luchtalarm losbrak. Ze zijn met z’n allen op de keldertrap gaan zitten, mijn jongste broertje op de schoot van mijn moeder en de deur halfopen. Het trappenhuis leek haar de veiligste plek maar ze wilde ook niet bedolven worden onder puin. Volgens de toenmalige mogelijkheden was dit een fantastisch precisiebombardement, maar er waren toch wel een paar afzwaaiers. Een huis in ons blok werd getroffen met dodelijk gevolg en verderop in de Cliostraat viel een bom in de tuin bij familie waarbij ook een dode viel en een van mijn nichtjes levenslang werd verminkt. En nog veel meer, natuurlijk maar dat zijn de dingen die ik me het beste herinner.

Zodra het was afgelopen stormde er allerlei gewonde Duitsers naar binnen die riepen: “Doctor! Doctor!”. Maar de dokter was niet thuis zodat mijn moeder maar zo goed en zo kwaad als het ging in actie kwam.

Later zei ik eens tegen mijn zusje dat ik het jammer vond dat ik dit niet had meegemaakt. Ze was daarover zo verontwaardigd. Terecht, natuurlijk. Ik zag alleen maar het avontuurlijke van zo’n bombardement met de wetenschap dat het voor ons toch goed zou aflopen. Maar het moment van doodsangst heb ik niet gevoeld. Wel de ontzettende angst dat zij getroffen zouden zijn en de enorme opluchting daarna.

Mijn moeder had over deze gebeurtenis twee sterke verhalen.

Na het bombardement dreigde er brand en ze vroeg zich af wat ze nu uit het huis in veiligheid moest brengen. Ze koos voor de fotoalbums. Een goede keus want onvervangbaar . Achteraf had ze misschien ook de rest van de voorraad sigaren mee moeten nemen.

Het tweede verhaal ging over een bord macaroni dat in de keuken was blijven staan.

Nadat de hele menigte die het huis in en uit was gelopen was verdwenen zag ze dat iemand een rechte streep had getrokken over het bord en aan de linkerkant van de streep alles had opgegeten. Een soort correctheid die wilde zeggen:” De rechterkant is onaangetast en die kunt u nog opeten, maar ik had teveel honger.’’ De lepel lag er keurig naast.

De ruïnes van de scholen werden ons favoriete speelterrein. Zo nu en dan was er een bewaker die ons wegjoeg, maar heel vaak lag alles verlaten. We gingen op zelfgemaakte vlotjes de kelders in die onder water stonden en vonden daar van alles. Ook blikjes gecondenseerde melk, die we vol trots thuis afleverden. 

Op een dag dat we met een groep jongens in de ruïne speelden  kwamen de bewakers. Een van de jongens werd achterna gezeten en klom in het staketsel van de tweede verdieping dat nog overeind stond. Hij viel met  muur en al naar beneden en was dood.

De hongerwinter kwamen we dankzij de sigaren redelijk door. Ook in ons grote huis werd maar één kamer verwarmd met één kachel en daarop een noodkacheltje waarmee mijn moeder kookte. Als je tenminste zo kon noemen. Wij grilden stukjes tulpenbol op het warme kacheltje en vonden dat lekker. Drie keer per week kwam er een jongen eten uit een minder bevoorrecht gezin. Maar ook wij gingen langs de gaarkeuken om de pap op te halen waar we recht op hadden en waarin soms de maden ronddreven. We beschouwden die dan maar als extra gekookt vlees.

Op een van die winterdagen ging ik in mijn eentje op de fiets tulpenbollen halen.

Ik wist waar ik wezen moest want we waren daar al eerder heengegaan onder leiding van mijn moeder. Het was richting Sloten en dan nog verder.

Er stond zo’n harde wind dat ik tweemaal van de fiets werd geblazen.

Toen ik het dorpje naderde was er ineens een afzetting met Duitsers. We moesten mee en werden bijeengedreven op een plein. Alleen vrouwen en kinderen. Het was hen te doen om de mannen. Die werden allemaal opgepakt. We stonden daar een paar uur tot het voorbij was.

Ik probeerde nog op het adres dat ik had om iets te krijgen maar trof daar alleen maar huilende vrouwen aan, die niets wilden meegeven.

Inmiddels was het heel laat geworden en het lukte me dus niet meer om voor spertijd thuis te komen. Ik reed door de Stadionbuurt en nam de binnenstraten om niet op te vallen. Het werd steeds donkerder en ik was doodsbang. Nu was het niet ver meer.

Ineens hoor ik om de hoek het geluid van voetstappen. Ik trek mijn fiets in een portiek en blijf doodstil wachten. De stappen komen steeds dichterbij.

Het is mijn vader, die op zoek was naar mij. Als arts had hij een vrijstelling om op straat te zijn.

In heel Amsterdam was de elektriciteit afgesloten.

Ook wij kregen een vreemdsoortig bouwsel, gemaakt van een fietsframe waarmee je al trappend elektriciteit kon opwekken.

Alleen bleken we het niet nodig te hebben. In ons blok woonde  een hooggeplaatste Duitser die wèl elektriciteit mocht hebben. Maar ze konden zijn huis niet apart bedienen zodat ons hele blok eigenlijk aangesloten was. Een handige buurman wist ons – onder strikte geheimhouding- op onofficiële wijze ook aan te sluiten. Het lichtje mocht pas aan nadat alles potdicht was verduisterd. Wij kinderen mochten natuurlijk niks zeggen, ook mijn kleine broertje niet van 8. We waren vol bewondering over hem hoe hij met een stalen gezicht aan zijn vriendjes vertelde hoe de hele familie ’s avonds om de carbidlantaarn zat.

We leerden allemaal liegen. En we leerden dat je niemand kon vertrouwen. Ook je vrienden niet.

Toen het in mei 1945 duidelijk werd dat de geallieerden elk moment Amsterdam binnen konden komen ben ik twee dagen tevergeefs dwars door Amsterdam heen naar de Middenweg gelopen omdat ik had berekend dat ze daarlangs wel zouden binnenkomen.

De derde dag was het raak en ik klom samen met andere juichende kinderen en volwassenen op de wagens van de Canadezen om met ze mee te rijden.

Ik stond op de treeplank naast de bestuurder en hield me vast aan het open kozijn. De vriendelijke Canadees bood me een stuk chocola aan en in mijn verlegenheid heb ik daarvoor bedankt. Later kon ik mezelf wel voor de kop slaan voor zo’n stommiteit.

Brutaliteit was gauw aangeleerd en de volgende dagen hingen we rond op het plein waar zij waren ingetrokken: “Hé Boy, have you a cigarette for my mother, for my father. Have you chewing gum for me?” Zo leerden we Engels.

Ik ging op padvinderij. Ik was gelukkig net oud genoeg om aan het Welpendom te ontsnappen: “Akeela wij doen ons best, wij dob dob dob!” Dat vond ik echt te kinderachtig.

Padvinderij had een hoge status na de bevrijding omdat het tijdens de oorlog verboden was. Ik herinner me nog mannen die tijdens het bevrijdingsfeest trots rond liepen in veel te klein geworden padvinderspakjes met de bewuste Baden Powel hoed.

Onze groep had een interessante samenstelling. De ene helft kwam uit de Pijp en de Kinkerstraat buurt en de andere helft uit de Apollolaan en omstreken.

De uitwisseling was groot. Wij leerden ze het verschil tussen Hij heeft en Hij hep en zij leerden ons de feiten des levens. We kwamen ook wel bij elkaar over de vloer. Ik herinner me heel wat bezoekjes in de Kinkerstraat en omgekeerd.

We mochten meedoen aan een uitwisselingsprogramma met Deense padvinders.

Om daarvoor in aanmerking te komen moesten we een wedstrijd in exerceren winnen.

Ons kritisch vermogen was toen al dusdanig aangescherpt dat we dit echt te belachelijk vonden. Maar het was de enige mogelijkheid om door de selectie te komen.

Mijn neef Robbert en ik verzamelden een groepje van 8 om ons heen. Ons argument was het volgende.

Exerceren is te stom voor woorden. We willen wèl winnen. We kunnen toch niet stommer zijn dan zij die dit wèl serieus nemen. Zo moeilijk is exerceren nou ook weer niet. Wij besluiten dus dit briljanter te doen dan wie dan ook. Gewoon even oefenen, maar wèl blijven nadenken.

Ik zie ons nog op het Stadionplein heen en weer marcheren op bevel. Er waren ook andere groepen aan het oefenen. Zeeverkenners, die we natuurlijk extra stom vonden met die baretjes. Allen  met gezichten, strak van de spanning. Wij niet. Wij stonden boven de materie en daarom deden we het beter. En we wonnen.

Nu moet ik erbij zeggen dat onze Hopman een belangrijke functie had bij het overkoepelend bureau van de Padvinderij. Zou het kunnen zijn dat we, als we het maar enigszins redelijk deden, een grotere kans hadden dan de anderen?

De reis naar Denemarken en het tegenbezoek in Holland waren een groot succes. De voertaal was Engels hoewel we geen van allen die taal nog onder de knie hadden, maar dat was geen bezwaar. De Canadezen, nietwaar.

Later gingen allerlei zaken zoals het halen van insignes en andere militaire trekjes ons toch behoorlijk tegenstaan. Het resulteerde in een brief die ik schreef naar de Landelijke organisatie met een aantal voorstellen om de Padvinderij te ontdoen van die hinderlijke uiterlijkheden. Helaas is er niet naar ons geluisterd. De Hopman was nogal onthutst, maar er was niets meer aan te doen: de Padvinderij was voorbij.

Inmiddels had het drama met mijn vader zich voltrokken en was hij afgereisd naar Indië. Ik was naar het gymnasium, dat me zo imponeerde dat ik direct in het eerste jaar bleef zitten.

En ik kreeg een nieuwe vriend. Een volwassen vriend, 10 jaar ouder dan ik. Het was een overbuurman en hij had een zeilboot: zestien kwadraats. We gingen wedstrijdzeilen en ik was fokkemaatje.

Het was natuurlijk een ongekende luxe voor mij om iemand te vinden die zo goed naar me luisterde, die alle kinderlijke verhalen en ideeën die ik opdiste serieus nam. We hadden redelijke resultaten in de wedstrijden en oefenden serieus. In die tijd ging dat nog wat simpeler dan later. We hadden nog geen harnassen en hingen niet met het hele lijf overboord. Maar het was toch best pittig.  We bleven hele weekeinden weg en maakten dan een maaltje op de boot met een primus en sliepen onder het dekzeil.

Tot ik op een nacht wakker werd terwijl  hij aan mijn lul zat.

Ik had de stadia van erectie en zaadlozing al achter de rug en vond dat een spannend fenomeen. Maar hij zat daar ineens aan mij te trekken terwijl hij zelf ook masturbeerde. Ik herinner me nog dat ik schrok van die enorme paal die hij had.

Ik wist niet wat ik moest doen en deed of ik nog steeds sliep.

De volgende dag was de beslissing snel genomen. Ik besloot alle verbindingen te verbreken en ik legde niets uit. Mijn moeder vroeg waarom, hij vroeg waarom, maar ik zei gewoon: “Ik heb geen zin meer.”

Uiteindelijk was mijn moeder slim genoeg om bij hem door te vragen en zo kwam het allemaal uit.

Vrij snel daarna moesten we verhuizen gezien de nieuwe financiële situatie en dat maakte de breuk een stuk makkelijker.

Mijn dilemma was: Als het hem lukt mij tot een zaadlozing te brengen, betekent dat dan dat ik homoseksueel ben?

Nadat ik alles op een rijtje had gezet en ik besloten had dat dit niet de weg voor mij zou zijn,  was het probleem voor mij opgelost. Maar iemand die iets labieler in elkaar steekt, die meer dan ik hunkert naar contact en bevrediging? Daarom is en blijft pedofilie een egoïstische handeling.

 

Mijn moeder was een voorbeeld van opgewekt dynamisme, die niets naliet om oplossingen te zoeken voor moeilijke omstandigheden.

Om het hoofd te bieden aan de nijpende armoede nam ze een pension over waarvan de gasten gewend waren het avondmaal te nuttigen op hun kamer. Het was een redelijk groot huis in de Nicolaas Maesstraat, maar er was – buiten de pensiongasten – alleen maar plaats voor mijn jongste broer. Mijn zus, die het verlies in status toch al slecht verdroeg, werd ondergebracht bij een familie in Bussum en zelf ging ik op kamers, een paar straten verder. Een klein dienstbodekamertje dat ik spic and span hield want ik was vooral heel trots dat ik op die leeftijd al op mezelf woonde. Mijn moeder had haar bed, gecamoufleerd als divan, in het enige gemeenschappelijke vertrek dat ook als eetkamer diende.

Wie de pensiongasten waren weet ik nog maar gedeeltelijk. Het zijn alleen diegenen met een paar bizarre gewoontes en karaktertrekken die herinneringen achter hebben gelaten.

Er was een oude vrijgezel met een ongelofelijk grote bibliotheek, die als onderwerp had: zigeuners, reizend volk en circus. Ik mocht soms boeken lenen. Vooral het zigeunerbestaan had mijn belangstelling. Hij leefde stil en teruggetrokken. Het enig venster op de wereld waren zijn boeken. Ik hoopte zelf op een avontuurlijker leven.

Ook was er een Zeeuwse dame op leeftijd. Kennelijk redelijk gefortuneerd om op deze wijze haar laatste dagen te slijten. Mijn moeder vertelde me dat ze op haar 18de verloofd was geweest. Haar verloofde werd ernstig ziek en had haar op zijn sterfbed laten beloven met het aanroepen van Onze Lieve Heer dat ze nooit van een ander zou zijn. Daar had ze zich aan gehouden. Het was haar trots. Ik vond vooral de gestorven verloofde een misdadig persoon.

In haar kamer hing een eigenaardige geur. Misschien afkomstig van haar lichaam of van een bepaald reukwatertje dat ze gebruikte, maar we noemden haar daardoor: “Stinkie”.

Mijn jongere broer en ik die beurtelings elke avond het dienblad met eten moesten brengen maakten er een sport van om op de gang heel diep adem te halen en de hele procedure af te werken zonder opnieuw adem te nemen. Dit inclusief vrolijke groet:”Goedenavond jufrouw! Smakelijk eten!. “ Als ze vroeg wat er die avond te eten was had je een probleem. “Heel lekker!” was een oplossing. Of: “Verrassing!” Hoe wreed kun je zijn op die leeftijd.

Er was een jonge vrouw met een kantoorbaan en blauwe lippen en blauwe nagels. Dat wees op een ernstig hart defect. Ze had een onverwoestbaar zonnig humeur en een aantal vaste opmerkingen zoals: “zeker weten”, “aju paraplu” , “vooruit met de geit” en nog veel meer, waar we meestal de slappe lach van kregen als we er ons niet bovenmatig aan stoorden.

Inmiddels had mijn moeder haar activiteiten uitgebreid en hield drie keer per week “ table d’hôte” voor jonge vrijgezellen en gezellinnen van betere huize. Het klinkt een beetje bekakt maar zo was het wel. De selectie was nogal zwaar. Alleen onze blauwe kantoordame mocht er zonder ballotage bij zijn als vreemde eend in de bijt. Ik moet zeggen dat onze gasten haar met meer mededogen behandelden dan ik. Een lesje in bescheidenheid dat ik me ter harte nam. Twee jaar later werd ze ernstig ziek en het ziekenhuis wilde haar alleen opereren als ze kon zorgen voor een aantal bloeddonors. Toen zijn we met z’n allen bloed gaan geven. Helaas is ze toen toch overleden.

De afwas, na een maaltijd voor 8 personen en 6 pensiongasten duurde uren. Die tijd sloegen we door met zingen en praten. Het heeft nooit als een last gevoeld. Er was toen ook nog geen televisie, die de avonden opslokte en ik had een grote bewondering voor de daadkracht van mijn moeder. Ik wilde ook niet dat ze een cent teveel besteedde aan kleren en schoenen voor mij. Ik had een oude fiets, een blauwe trui en één paar schoenen, waar ik niet vanaf wilde.  In die tijd was sjofel nog niet de mode, zodat het nogal opviel. Maar toen vroeg mijn tekenleraar, die een nazaat was van Sluyters en van Dongen of hij me mocht schilderen met mijn fiets omdat hij getroffen was door dat verschoten blauw. Daarna mocht ik mee naar een atelier waar naar levend model werd geschilderd, omdat ik zelf ook wel aardig kon tekenen. En zo maakte ik dankbaar gebruik van mijn uitzonderingspositie.

Maar mijn grote interesse was toch literatuur en poëzie. Daarvoor was het gymnasium de ideale voedingsbodem. We maakten de schoolkrant, totdat ik daarin een artikel schreef dat als te erotisch werd bevonden door de leiding; we maakten onze eigen schoolagenda, waarin ik  ook weer gedichten kon zetten. Onder anderen eentje dat uiting gaf aan mijn hevige verliefdheid voor Marjolein, een heel lief en beeldschoon meisje, die een klas lager zat. Ik herinner het me nog.:

De zon keek me aan toen ik stond op de brug.

Een meisje kwam aan, zij keek op ik keek terug.

Ze liep blozend door toen ik vriendelijk neeg.

De brug leek me daarna wel tweemaal zo leeg.

 

Hoe snel raakt zoiets gedateerd. We nijgen niet meer.

Onze liefde was heel pril. Het beperkte zich tot wat kusjes en omhelzingen. Ze woonde samen met haar moeder in een klein pothuisje op de Prinsengracht. Waar die moeder uithing weet ik niet, maar we konden elkaar daar ontmoeten en onze eerste schuchtere passen op het gebied van de liefde zetten.

Zij had ook een poëziealbum waarin ze me vroeg iets te schrijven. Gebruikelijk was dat iets in de trant van: rozen verwelken en bloemen vergaan, maar onze vriendschap blijft altijd bestaan. Of zo.

Ik wilde natuurlijk zelf iets maken. Helaas kan ik het me niet meer letterlijk herinneren maar de inhoud zei ongeveer: Als ik ooit dood ga en in mijn kist lig terwijl de maden zich tegoed doen aan wat er van me over is, dan…. Zal ik nog steeds van je houden. Of zo. En dat op rijm. Haar moeder was zo geshockeerd door het versje dat ze verdere omgang met mij verbood. En dat was een bevel waar je op die leeftijd en in die tijd nog gehoor aan gaf. Helaas. Jaren later hoorde ik van een gemeenschappelijke vriendin dat die moeder een echt secreet was. Ze hertrouwde en exploiteerde die arme Marjolein als huissloof. Ik kan het mens nu nog haten.

Maar misschien is het ook een kostbaar goed – onafhankelijk van haar laakbare beslissingen-    onze eerste grote liefde die bleef steken in dat diepe gevoel dat heel je hart vulde en dat nooit meer zou overgaan.

Over diepe gevoelens gesproken.

Het was nog op de Jan van Eyckstraat dat ik gedurende een zomervakantie thuis het diepe gevoel voor muziek heb ontdekt.

Ik was altijd al gefascineerd door muziek. Toen ik 6 was kwamen er geregeld in de straat de Volendammers spelen. In kostuum met van die wijde broeken en zilveren knopen. Twee met accordeon en  een derde om het geld op te halen. Ik volgde ze door de hele stad. Aan het eind van hun parcours gaven ze me een dubbeltje voor de tram om weer naar huis te komen. Ik herinner me dat ik op de Munt lijn 24 nam. Vervolgens liet ik mijn ouders weten dat ik ook accordeon wilde leren spelen. Mijn ouders vonden me nog een beetje te klein voor zo’n zwaar instrument en lieten me beginnen met een mondharmonica. Ik kreeg les in noten lezen en spelen bij een muziekleraar die een voorkeur had voor Operette melodieën. Niet erg inspirerend voor een 7 jarige maar ik deed netjes mijn lesjes. Toen bleek uit de verhalen waarmee ik thuis kwam dat de leraar ook geregeld allerlei Duitse soldaten ontving, die lustig meezongen met het repertoire, en me overlaadden met snoepjes en chocola, iets dat voor een normaal mens een onbereikbare lekkernij was geworden, werden de lessen gestopt. Als compensatie kreeg ik de kleinste accordeon, die er was met 12 bassen. Die heette: “Little Wonder”. Maar het wonder voltrok zich niet. Ik ontdekte dat ik liever gitaar wilde spelen. In het kader van een strenge doch rechtvaardige opvoeding zeiden mijn ouders dat ik dan maar zelf moest proberen de accordeon te verkopen en van het geld een gitaar te kopen.  Uiteindelijk werd de accordeon me ontfutseld door een handige prater die me 25 gulden in de hand drukte waarvoor ik met geen mogelijkheid een goede gitaar kon kopen. Hieruit bleek maar weer dat ook niet iedereen een handelsgeest is gegeven. Het bleef dus voorlopig bij een droom waarin ik ’s avonds in bed met passie luchtgitaar speelde.

Maar die bewuste zomer, ik was een jaar of 14 en was alleen thuis. mijn moeder onderging een operatie in het ziekenhuis, mijn vader was aan het werk en mijn broer en zus waren op vakantie adressen.

Ik had van mijn grootmoeder een grote kartonnen cassette te leen gekregen met klassieke muziek platen. Het waren van die 78  toeren schellakplaten. Gigantische schijven, die je om de haverklap moest verwisselen. Ik weet nog precies het repertoire:

De “Unvollendette” symfonie van Schubert.

Het “Adagietto” uit de vijfde van Mahler. en

“Una furtiva lacrima”, gezongen door Caruso met op de b kant “Elegie”.

 

 Een willekeurige keus en toevalligerwijs wel heel romantisch, maar ik heb twee weken lang die platen gedraaid, met de roodfluwelen gordijnen dicht om de zomerwarmte buiten te houden, een karaf limonade onder handbereik en voortdurend een brok in mijn keel omdat ik al deze muziek zo onuitsprekelijk prachtig vond. Ik kan geen van die melodieën nu nog horen zonder weer de sfeer te proeven van die verduisterde kamer en die golven van emotie die ik toen onderging. Het “madeleine”verhaal van Proust was voor mij een bekend gegeven.

Met de gitaar is het ook nog goed gekomen, want mijn eerste echte vriendinnetje: Gerda, leende me de gitaar van haar overleden vader en daarmee heb ik als een bezetene gestudeerd om de verloren tijd in te halen.

 

Wanneer is je jeugd voorbij?

Ook dat hangt af van een realiseringsmoment.

Bij mij gebeurde dat in 1952 tijdens de watersnoodramp in Zeeland.

Ik voelde me heel ongelukkig omdat ik een ander gymnasium had gekozen, waar ik me uitsluitend wilde bezighouden met het lesmateriaal en me niet wilde bemoeien met andere school activiteiten. Op die manier zette ik me af tegen de heerlijke tijd die ik op het  Barlaeus gymnasium had doorgebracht. Ik was daar uiteindelijk zo betrokken geraakt met allerlei activiteiten dat het nauwelijks meer tot leren kwam. Een grote vergissing want de sfeer op het Vossius was zo anders dat ik me er totaal niet thuis voelde. Ik ervoer het als kinderachtig en schools in de verkeerde zin des woord.

Toen gebeurde die ramp in Zeeland, die zo veelomvattend was dat mijn eigen beslommeringen er maar mager bij afstaken.

Mijn vriend Rob, die een jaar op me voor lag omdat ik een keer was blijven zitten en die al studeerde, liet me weten dat ze met een bus studenten naar Zeeland gingen om daar te helpen.

Ik bedacht me geen moment en meldde me bij de bus.

Tussen de studenten bevond zich een jongeman die zich in militair kostuum had gehuld. We noemden hem: “Ons luitenantje” en dreven medogenloos de spot met hem. Wij vonden hem verwaand en zijn kostuum belachelijk. Parmantig vonden we hem en dat wassie.

Maar toen we bij onze eerste opdracht aankwamen, waar we met zandzakken een dijk moesten trachten te dichten en toen ik zag hoe hij op een heel natuurlijke manier de leiding nam en heel efficiënt bevelen uitdeelde en vervolgens tot zijn middel in uniform in het koude Februari water ging staan om van daaruit beter te functioneren vielen de schellen me van de ogen. Wat kun je je ontzettend vergissen in uiterlijkheden.

Nadat we een paar nachten hadden geslapen in een DUW kamp en  toen bleek dat men eigenlijk niet meer zat te wachten op onze goedbedoelde, spontane maar niet zo nuttige hulp keerden we terug naar Amsterdam.

Toen besloot ik om niet meer naar school te gaan, mijn eigen geld te verdienen en het volwassen leven in te stappen.

 

Ja, ik heb een gelukkige jeugd gehad.