Geschreven door Karel Grazell


NICO

KNAPPER

chansonnier

tv - regisseur

 

 

 

 

Karel N.L. Grazell

 

Mijn herinneringen met

Nico Knapper erin

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LJ

productie:

Digitale Uitgever Leins Janema

Amsterdam 2012

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

elke herinnering is als het ware;

elke herinnering in taal omgezet is

in zekere zin valsheid in geschrifte.

toch leven we vanuit onze herinnering.

 

leins janema

 

 

kennismaking

 

1951. In het voorjaar leerde ik Marianne Jofriet kennen, dochter van Gerard den Brabander. Ze zat in de 4e klas van het Barlaeus Gymnasium. Het was een leuk, fris meisje dat precies paste, vond ik, in die zonneblije maanden die door de Amsterdamse straten flaneerden.

Ik ging graag enkele keren met haar op stap,  het zonlicht in. Zonder die mooie bedoelingen, waarvoor ze trouwens volgens die jaren te jong was.

Ik herinner me hoe ik eens op haar kamer was om haar af te halen en hoe daar ook Bartje Hughes, een klasgenoot van haar stond: de man die later een gaatje in z’n voorhoofd boorde (overigens niet origineel). Hij maakte een lichtelijk vijandige, jaloerse indruk op me.

Via Marianne maakte ik kennis met een andere klasgenoot van haar: Nico Knapper. Die moet toen 16 zijn geweest. Ik was een 7 jaar ouder.

Nico nodigde me te eten uit bij z’n moeder. Ik weet nog hoe we daar aan tafel zaten, Ik met de rug op de open deur naar de gang, aan de smalle kant van de tafel, tegenover me de moeder, rechts Nico, links de jongste, Wouter.

Het gezin woonde in de Nicolaas Maesstraat, in de buurt van de Hondecoe-terstraat – ik herinner me nog een soort luifel boven de voordeur, steunend op dunne pilaren.

Er klonk geluid op de gang.

Dat is m’n zusje Marianne, zei Nico, die komt thuis uit Zwitserland.

Ze sjouwde met koffers.

Dag, riep ze, ik ga meteen naar boven, hoor, de koffers uitpakken.

En een vijf minuten later zag ik achter me een jonge man van mijn leeftijd naar boven gaan.

Dat is de verloofde van Marianne, informeerde Nico me.

Die ken ik, zei ik, dat was in Amstelveen een lagereschoolvriendje van me, en toen ik toelatingsexamen moest doen voor de HBS heb ik met hem tussen de middag gegeten bij een meneer Monsjou, twee keer, hij was consul van een of ander Baltisch land, in een villa aan de Hobbemastraat.

Dat kan, zei Nico, de moeder van Harm is met hem getrouwd.

Harry Stuit woonde in die Amstelveense jaren met z’n moeder op Laan-horn, hij zat nadien bij mij op de HBS en later zag ik hem nog wel in de Universiteit aan de Oudemanhuispoort: hij studeerde medicijnen.

 

(…)

Nico’s zusje Marianne (met wie ik tussen 1981 en 2005 bevriend was) vertelde me: Hun vader was een bekend chirurg en had ooit in het Burgerziekenhuis Prins Bernhard onder z’n patiënten geteld (later kreeg hij een kamerjas en een zilveren schaal van de prins). Tijdens de Duitse Bezetting behandelde dr. Knapper (hij woonde in de Jan van Eykstraat) Gerrit van der Veen die bij de Euterpestraat was neergeschoten, en bracht deze ter verpleging onder bij Koos Frielink, een verpleegster die later gastvrouw werd van een befaamde salon in de Valeriusstraat, van en voor schrijvers (waar ik, eerst gedeeld met Lucebert, later met Jan Hanlo, enkele middagen vulde). Dr. Knapper overleed na ‘45 aan een hartaanval.

 

Gerda

 

Een tijd later kwam ik Nico halen bij z’n grootmoeder op het J.W. Brou-wersplein, om de hoek aan de kant van de De Lairessestraat. Ik herinner me hoe hij in een brede hal samen met zijn verloofde Gerda van der Veen (19), zij mooi, slank, pril in zwarte bloes en broek, de trap afdaalde. Gerda was balletleerlinge, dochter van Gerrit van der Veen – ze trouwde veel later met Ed van der Elsken, de fotograaf, met wie ik in die vroege jaren wel werkte.

Ed was toen, in ‘mijn’ tijd, nog assistent van Ad Windig in de Bloedstraat.

 

moeder

 

De moeder van Nico was een Boissevain, van onder meer de Handelsblad oprichters. Ik heb haar redelijk goed gekend. Bij de geboorte van m’n tweeling nam ze de (bij)zorg op zich namens Nico en z’n vrouw. Rond ’70 ben ik nog enkele keren bij haar op bezoek geweest, ze woonde toen in een soort hofje achter de Elandsgracht. Ze overwoog m’n auto over te nemen.

 

tijd van leven

 

In datzelfde voorjaar van ’51 zat ik (de middagzon scheen door de hoge ramen) bij Leidsepleins café Reijnders in een Chinees leerboekje te lezen.

Ik weet nog hoe het boekje me vertelde dat venster in het Zweeds vindauge was: oog van de wind, en dat het in het Engels was verbasterd tot window.

Nico kwam binnen en we hadden het over het voorspellen via geboortedata. We rekenden uit hoe lang we te leven hadden. Wat mij betreft: ik vond als datum van overlijden 4 maart 1996 ‘s middags om half 4.

Er zijn in m’n leven meer voorspellingen uitgekomen, dus op die datum zat ik mezelf te analyseren: ik was gezond, ik voelde niets, maar toch keek ik met een zekere verwachting naar half 4: er gebeurde echter niets. Er was die dag geen woepwoep wapwap van een vogel die uit de kooi van de tijd vloog. De datum die Nico voor zichzelf had uitgerekend, heb ik niet ont-houden.

 

retail

 

Na de vijfde klas ging Nico van het Barlaeus naar het Vossius Gymnasium. Hij had zich teveel aan schoolactiviteiten gewijd en wilde nu zich op de leerstof gaan concentreren in een andere omgeving. Dat lukte niet: hij kon op z’n nieuwe school niet wennen. Toen hij voorgoed wegbleef van les, schreef de schoolkrant: ‘Ga niet naar school, daar wordt gij knapper.’

Hij begon samen met de veel oudere kunstschilder Jean-Pierre Michel een Bric à Brac souterrain aan de stille kant van de Spiegelgracht. De zaak be-stond niet zo lang.

 

(…)

Nico’s zusje vertelde me: Nico was invaller bij Ballot, een show van Toon Hermans. Hij werd vervolgens aangenomen voor diens show Zaza. Daar ontmoette hij Janine, een Parisienne van Bretonse afkomst. Toon Hermans was tijdens een voorstelling wat teveel geïnteresseerd in haar, Nico nog méér en hij nam Hermans (hij was jeugdkampioen judo van Amsterdam) in een greep en wierp. Het publiek zal gedacht hebben dat het erbij hoorde.

 

erfenis

 

De latere fotograaf van Vrij Nederland had een firma geërfd, die luxe ho-tellinnen verkocht.

Er was een kantoor op de Nieuwezijds. Hij bouwde langzaam af, vroeg mij enkele weken aan de telefoon te gaan zitten. Het was een gans eenzame betrekking.

Ik schreef er uur na uur voor mezelf. Soms kwam z’n verloofde, actrice Andrea Domburg, kijken. Drétje trouwde later met m’n oude vriend Ferdy Posthuma de Boer.

Op een middag kwam ook Nico. Hij las wat ik had geschreven, getikt op doorslagvelletjes. Hij was toen 17. Meer herinner ik me daarover niet.

 

Jan Hanlo

 

1953. Bij het optreden van Jan Hanlo en daarna mij was Nico wel aanwezig, maar ik herinner mij daar niets over.-Nico wel, hij vertelde me onlangs dat Jan Hanlo daar onder meer zijn gedicht Oote boe voorlas, dat diepe indruk op hem maakte, en dat Gerard van het Reve een papieren zak liet ontplof-fen, hetgeen de schrijver ongelofelijk grappig vond.

Ik houd het verder bij een inleiding en een herinnering aan mezelf.

In 1943 moesten schrijvers tijdens de Duitse Bezetting zich inschrijven bij de Kultuurkamer. Deden ze dat niet, dan mochten ze niet publiceren. Een aantal schrijvers, onder ‘leiding’ van immigrantenschrijfster Elli Augustin hield zich afzijdig van die plicht, en las elkaar in de hongerwinter voor. Dat gebeurde bij (diezelfde verpleegster) Koos Frielink – die had een affiniteit tot de kunst: haar vader, hoorde ik, was een zondagsschilder.

Na ’45 stichtte ze een salon voor schrijvers. In ’49 trad ik daar in de Vale-riusstraat op. Lucebert kwam er diezelfde keer met z’n Romeinse Elehym-nen die hij had geschreven op reis met een rijpe journaliste, een ‘akela’ die eerst mij had uitgenodigd, maar ik wilde niet mee, want ik zag mezelf al naast het bed, hurkend met vier vingers op de vloer en hoofdzwaaiend roe-pen: akela, wij doen ons best. Nee dus.

Jan Hanlo vond m’n werk een ‘oasis de pureté’, en zorgde ervoor dat er een bundel (de eerste van m’n generatie, schreef Vinkenoog) uitkwam onder m’n pseudoniem in de reeks De Zilveren Scherf. Een bekend recensent noemde me ‘de beste katholieke dichter’ – maar ik was niet katholiek.

In 1953, tweeëneenhalf jaar nadien, kwam ik op uitnodiging van Elli Au-gustin bij salon Frielink, met Nico dus. Ik zat op een bed met Harriet Lau-rey. Zij had eveneens in De Zilveren Scherf gepubliceerd, en was bekend door haar sonnet over een sneeuwpop op het Leidseplein.

Jan Hanlo las voor, leidde elk gedicht in met allerlei technische termen. Ik als Karel Grazell was een onbekende voor Harriet. Ik deed als leek: die rare dichters, fluisterde ik, wat is dat nou, zo’n amfidinges? Schrijft-ie met hage-issenbloed? Harriet ergerde zich zichtbaar aan zo’n nitwit. Ssst! Sssst!

In de pauze praatte ik met Reve en Ad den Besten en deze laatste riep naar Harriet: kom ’s kennismaken met Karel Grazell. Onwillig trad ze nader.

Na de pauze zei Elli Augustin – die altijd zo’n beetje het voor het zeggen had bij de bijeenkomsten en ik was via haar zoon uitgenodigd: Ik heb een verrassing, nu leest de jonge dichter Karel Grazell voor.

Dat zou wel wat zijn, spelde het gezicht van Harriet. Ik had niets bij me, Niels Augustin gaf me wat beginnerswerk. Harriet zag de leek nog steeds.

Tot ik De Zwaarte van het Licht uit De Zilveren Scherf voorlas. Dat was van Leins Janema, zag ik duidelijk dat ze wist. Tsja…

 

haardstoelen

 

Het jaar eindigde met een ijskoude december. De later bekende kinderboe-kenschrijver Bob ‘Pozzebokken’ Jagt en ik woonden in de Korte Leidse-dwars.

Op een avond laat liepen we langs de Schouwburg en daar stond een rij mensen die als eersten de volgende morgen kaartjes voor een voorstelling wilden kopen. Ook Nico stond er met een vriend. Ik heb hem toen twee haardstoelen geleend uit het huis waar Bob en ik woonden.

Wim Sonneveld

 

In ’49 leerde ik Wim Sonneveld kennen. Hij vierde die nacht z’n verjaardag op de etage boven het Leidsepleintheater. Er waren maar weinig mensen: Sonneveld, de huurster van de etage (die altijd aan de kassa van het theater zat te breien), Lia Dorana en later, toen hij klaar was met z’n organisatori-sche activiteiten in de Schouwburg, haar man Jan. Verder ik en een fan van me. We dronken veel jenever, we aten veel taart.

Sonneveld, met pet, zat wel bij café Reijnders met z’n gezelschap wat te drinken – het was een heel rustig, bijna verlegen ensemble daar.

Vijf jaar na die verjaardag werd Nico deel van het ensemble. Hij zou bij de kassa van het De la Mar theater een kaartje voor me leggen, maar toen ik het kwam halen, lag het er niet. Nico´s geheugen is geen agenda. Maar ach-ter de caissière zat, zoals vaak, Wim Sonneveld en hij wees haar: geef hem maar een kaartje. Het was een voorstelling met onder meer volksliedachtige nummers. Wim Sonneveld en Joop Doderer zongen: moeder, daor staot een vraaier an de deur. Het was hilarisch, ook al omdat beiden de slappe lach kregen. Dat scheen bij elke voorstelling het geval te zijn. Het ensemble stelde zich tegen het eind van een op Calypso gebaseerd liedje van Sonne-veld: ‘zorgen, wie heeft er nog zorgen’, in een rechthoek op en Sonneveld deed een slinger na alsof z’n medewerkers een draaiorgel waren: ‘een huis-, tuin en keukenliedje met een huis-, tuin- en keukenrefrein, ‘.

Na de voorstelling liepen Nico en ik voor een glaasje wijn de Overtoom half af: daar bij de J.P. (‘Een karretje langs de zandweg’) Heijestraat woonde hij.

Ik herinner me een groot donker gordijn in de ruime kamer.

Nico wees en zei dat we stil moesten zijn, achter dat gordijn scheen iemand te slapen.

Later hoorde ik van hem: ’t was Janine. Die eerste ‘ontmoeting’ was ze een gordijn.

Zonder bloemetjes.

 

(…)

Nico verdween met Janine naar Parijs om het te proberen als zangers. Janine speelde er bovendien blokfluit bij. Nico begeleidde op gitaar (hij had les gehad van Gerard Gest: in die tijd wellicht de grootste klassieke gitarist van de we-reld, maar hij speelde niet in het openbaar – men vermoedde het, maar wist niets zeker, zelfs m’n vriend Pieter van der Staak niet.

Nico en Janine hadden het in het begin zwaar in Parijs. Veel later vertelde hij: Geen geld, maar wel raakten we bevriend met vele nog niet bekende artiesten zoals Barbara, Jean Ferrat, Georges Moustaki en Jacques Brel, die ik later als TV-regisseur allemaal naar Nederland liet komen voor TV-uitzendingen.

Maar uiteindelijk bedacht Nico een Tour de Chant,  gezongen geschiedenis van het chanson, en ze traden op in de USA, gesponsord door de Alliance Française. Ze kenden er befaamden als Odette, Pete Seeger (componist van We shall overcome en medecomponist van If I had a hammer).

Twee anekdotes die Nico me vertelde:

Ze werden rondgeleid in een nudistenkamp bij New York. Gaf dat nou geen zichtbare problemen, vroeg Nico, als een man een leuke dame zag? Nee, was het antwoord, dat gebeurt alleen als hij het volkslied hoort. Even later kwam er een blote dame verschrikt uit het struikgewas: he has heard the national anthem!

In het zuiden van de VS traden ze op tijdens een groot festival met o.a. die Odette. Er was een zaal vol nickleodeons. Een man kwam binnen en gooide in al die apparaten een nickle. Alles speelde, elk een ander nummer.

Er kwam een 45toerenplaatje uit met 4 chansons van het duo. Ook kwam er op een verzamelplaat een nummer met Janine. Het ging om een archaïsch liedje. Ze zong het met een hoge stem, een beetje als Brigitte Bardot wel deed.

 

reclameTV

 

In 1960 woonde ik in Hilversum. Ik werkte in Den Haag, had daar bij het meest creatieve, vierde in grootte bureau van het land, HVR, de creatieve leiding. Het was het hoogste dat ik toen in m’n carrière kon bereiken (met o.a. Jan van Hillo, Kees van Langeraad). Daarnaast was ik nog creative director bij een middelgroot Hilversums bureau, waar ik al eerder werkte: ik had niet onmiddellijk willen opzeggen, want het was moeilijk een opvol-ger te vinden, daarom had ik een termijn van 8 maanden gehanteerd: het werk deed ik ’s avonds als ik thuiskwam uit Den Haag (ik regisseerde voor het Hilversumse bureau ook overdag foto’s, o.a. bij Ed Suister voor Abro en de introductie van Dubro. Er liep een gerucht door HVR: het zou niet lang meer duren, dan kwam er reclameTV. Film had altijd m’n interesse gehad. In m’n zeventiende schreef ik al een primitief script.

Ik wist niet genoeg van TV (ook al adviseerde ik in het weekend inzake communicatie een zendgemachtigde). Maar ondanks vriendjes als Frits Butzelaar (‘van Pipo de Clown.’ zei Franca, ‘de ridder met de kriebel-muts’) lukte het me niet bij opnames (die werden toen nog live uitgezon-den) aanwezig te zijn. Ik besloot dan ook maar naar Luxemburg te vliegen. Daar liep ik zonder afspraak bij de radio/TV binnen, kwam in handen van de hogelijk aantrekkelijke Duitse radiopresentatrice Anne-Marie en raakte zelfs als figurant met haar in een TV-uitzending. ‘Are you English?’ ‘No. copywriter.’ Dat brak het ijs tussen ons.

Daarnaast schreef ik als de creatieve man van bureau HVR aan alle TV-hoofden van Hilversum om een informatief gesprek. Ik wilde meer weten van TV, maar ik kreeg: werk aangeboden. Assistent van de VPRO-direc-teur bij de NTS, een programma voor het IKOR, opvolger van Peter van Campen als regisseur en presentator bij de NCRV, schrijver van SchoolTV, met Hans Andreus, een auditie via ‘oom’ Herman van (‘Kleutertje luister’) Moerkerken, en voortvloeiend free lance acteur bij de hoorspelkern, docent voor schrijven van TV-programma’s aan een nieuwe Academie. Ík vond reclame aantrekkelijker, daar was ik ook beter in en ik verdiende méér.

Tijdens zo’n niet-informatief gesprek met (buurtgenoot) Piet te Nuyll junior vertelde deze me dat ze net een geweldig jong talent in dienst hadden genomen, ene Nico Knapper. Ik vroeg diens telefoonnummer en belde hem.

Dat moet zijn geweest in de late zomer van 1961.

 

Top of Flop

 

1962. Er zijn nog plaatjes in m’n geheugen van m’n lolzinnig op bed springende dochter Fannie (Franca), wanneer Nico en ik voor haar, elkaar regel na regel afwisselend, een dolzinnig verhaal voor het slapengaan improviseerden.

Er is een beeld in me dat ik in het Bussumse Concordia ben bij een programma van Nico: Amateurs zetten hun beste beentje voor, met Ajax-voorzitter Jaap van Praag als presentator.

En ook de plaatjes van Top of Flop, populair VARA-TVprogramma, liggen nog in het album van m’n herinnering.

Het was een Amerikaans format, verbeterd door de BBC. Nico was naar Engeland gevlogen om het te leren kennen en ging het vervolgens nog eens verbeteren, vertelde hij me.

Ik reed een aantal keren met hem mee naar het Larense Singermuseum, waar de repetities en de opname voor uitzending plaatsvonden. Dat bete-kende ’s morgens repetities, ’s middags generale en ’s avonds opnames voor uitzending, Presentator Herman Stok en een panel, dat een professionele mening zou geven over te draaien ‘tiener’muziek. Ik zat dan in de regiewa-gen bij Nico. Het was een uitermate populair programma. De nadruk lag altijd in de close-ups van velerlei tieners in de zaal. Toch was ook het panel van belang. Ik weet nog Ria Valk, ik weet nog Pim Jacobs en Rita Reys, waarvan Nico hoopte dat ze bij de uitzending flink zouden kibbelen.

De bank waarin de panelleden zaten, de jukebox en de stoel-en-tafel van Herman Stok stonden verstrooid tussen de decors van de zaterdagavond-quizz van Theo Eerdmans, ooit een collega van me bij Het Vrije Volk. Daarin won een jongen van 19, Ruud Braggaar, de hoofdprijs eens: 1000 gulden min één cent (daarvan ben ik naar Florence gegaan, schreef hij me onlangs), met z’n kennis van Leonardo da Vinci.

Maar wat mij bij elke Top of Flop vooral intrigeerde, dat was de assistente van Nico: Marijke Merckens, de latere actrice.

Als we met alle medewerkers gingen lunchen, verderop in Laren, keek ik vooral naar haar. Ze leek sprekend op m’n eerste vrouw, niet alleen in uiterlijk, maar zelfs in humor.

Nico bleek een hardwerkende, maar altijd kalme en charmante regisseur te zijn. Hij kon ook uitstekend een vooraf talk tegen publiek houden. Ik heb ‘m maar één keer uit z’n slof horen schieten: dat was toen een floormana-ger door het live-beeld liep van een VARA zomeruitzending.

 

Podium

 

In die tijd werd Nico, nu 26, ontdekt als jong dichttalent door het zo langza-merhand ex-Vijftigersblad geworden Podium – waar ooit m’n vriend Peter redacteur van was. Rein Bloem schreef een veel te lovende kritiek en dat zette kwaads bloed in de literatuur: hoe kon een TV-regisseur uit de amusementssector ook dichten? Nico deed z’n hele leven niet veel meer met dat talent: hij verstopte het in z’n regie, lesgeven, coaching. Veel later, heel ruim een kwart eeuw sinds, maakte ik een eigenbeheersbeestje (zoals ik een eigengemaakt boekje noemde) van z’n werk.

 

Nederlands chanson

 

In ’55 kwam ik frequent bij café Clochemerle, op de Amsterdamse Lijn-baansgracht, bijna op de hoek van het Leidseplein.

Daar stond een piano en als het nog niet druk was, speelden daarop afwis-selend enkele later bekend geworden mensen. Ze speelden ook vaak voor mij.

Ik denk aan Dick Schallies (later: Een beetje, Wat een geluk).  Ik herinner me nog hoe hij de hele Children’s Corner van Debussy voor me speelde.

Aan Pieter Goemans, die me vroeg een tekst te schrijven in het Frans voor wat later Aan de Amsterdamse Grachten werd, een melodie van Enrico Neckheim, volgens diens weduwe – Enrico was een langgeleden vriend die nog een balletsuite naar een verhaal van mij componeerde en variaties op een Middeleeuws melodietje van me, dat ik wel speelde. Ik kende Pieter omdat ik ooit de schaakproblemen die hij maakte voor Vrij Nederland, controleerde op juistheid. Hij speelde vaak het Italienisches van Bach voor me.

En dan was er Ramses. Hem kende ik van een vijftigtal gezamenlijke optre-dens in de Gijsbrecht (we waren zo gering daarin), en uit het kroegleven. Hij lalalade al. Hij zat nog op de Toneelschool en trad al op met een caba-ret, zoals een vroege nacht in het Amerikaanse consulaat.

Als het druk werd, kwam ik in de omgebouwde keuken van het café.

Daar zat ik dan uren te kletsen met Ernst van Altena over het Franse en hopelijk in de toekomst ook het Nederlandse chanson.

We hadden in ‘62 radiodistributie, daar in onze Hilversumse maisonnette en eens hoorde ik op een vaste Belgische regionale zender Vlaamse chan-sonnetjes.

Ik meldde dat direct aan Nico. En die kwam al gauw met een serie op TV. Hij bracht als z’n eerste productie voor de VARA een live programma, waarin ‘Making whoopee’ (door Maya Bouma ter plekke gezongen) moest vertaald door Hans Andreus, Remco Campert, Simon Vinkenoog.

In de jaren vijftig mochten enkele chansons niet op de Parijse radio worden oedraaid. Zoals Après l’Amour van Aznavour, met die uitgeminde toi et moi, presque nues uithijgend, éclairées d’ une même sourire. En Brav’ Margot van George Brassens: zij gaf enkele poesjes de borst. Nico praatte in het programma daar even over met vertaler Ernst van Altena: intussen waren de problemen opgelost.

Toen de afkondiging verscheen met citaten uit de verschillende gesprekken die Nico had gehad met de deelnemers, kwam Ernst op het scherm met de uit het interviewtje nu geïsoleerde uitspraak: Met het seksuele gaat het nu veel beter.

Gerard Cox met Miel Cools werd opgenomen in België (waar Nico de apparatuur veel beter vond), daarna de onvergetelijke Kor van der Goten. ‘Uw zoenen die heb ik van doene’. Nico gaf mij een elpee, een studenten-productie, van deze Antwerpenaar.

Ik herinner me een programma dat als achtergrond had een oude fantasie-kaart met erotische namen, zoals Mont Vénus. De VARA had het program-ma vooraf niet kunnen zien, want het was pas op het laatste moment klaar, vertelde Nico me, en men was ervan geschrokken.

Ook was er een programma van hem, dat wat opspraak veroorzaakte: met Ronnie Potsdammer, die van Brassens een lied over een begrafenisonder-nemer zong bij een gitaar, op het lint waarvan Rust Zacht stond.

Onder de namen op de aftitelingsrol van o.a. Aznavour en Tchernia stond ook de mijne, maar… met één l. Nico, Nico.

Al gauw bracht Nico daarna cabaret Lurelei, en Fiesta Gitana.

 

stem

 

Als ik Janine aan de telefoon kreeg, zei ik: Allo, Janine, comment ça va? En ze antwoordde steevast: Ernst?

In m’n kleine verzameling manuscripten en bibliofiele drukken bevindt zich het zogenaamde uitgeversexemplaar van Ernst van Altena, vol aante-keningen en veranderingen inzake z’n vertalingen van Villon.

 

kinderen

 

In een fotoalbum heb ik nog een foto, door Nico gemaakt, van zijn zoon Jean Louis, en mijn dochter Carole. Samen in een box. Nico maakte toen een grapje: een kinderhuwelijk.

Later werd Nico een tweede zoon geboren: Laurent. Ik maakte toen een gedicht. ‘l’Eau rend Laurent à l`aurore.’

 

woorden

 

Een blues kabbelde op Nico en mij toe, zachtjes uit het Loosdrechtse Jazz-festival.

We zaten op rieten Horeca stoeltjes voor een botenloods.

Nico stelde me voor dat ik een TV-programma zou schrijven over poëzie. Ik bedacht meteen een titel: Wij hebben woorden.

Later, in de filmzaal van de VARA, kreeg ik een uit Parijs overgevlogen film te zien van Tchernia. De projectie ervan werd door Nico’s assistente geregeld: de dochter van Metropool dirigent Dolf van der Linden.

Ik zag twee boksers in de ring, met sparring helmen op – plots hing een van de twee over de touwen en reciteerde een gedicht. Ik herinner me verder nog de jonge weduwe van een dichter die op Saint Germain uit een raam was gesprongen: ze liet zich interviewen in een café op de Place Dauphine, ik zag een kind schommelen in een bloesemtuin.

Ik bedacht een idee (want voordat je teksten gaat schrijven, heb je een idee nodig).

Wij hebben woorden heeft twee betekenissen, da’s bekend.

Ik zag in een horizonloos decor Fannie (nu 4) met een bijna  levensgrote teddybeer van de camera af lopen, terwijl ze de beer een schrobbering gaf.

Bij een volgende scène zou volkstoneelman Henk Hasebos (met wie ik ooit bij de Nederlandse Comedie zat) op een open trambalkon in geïmprovi-seerd gesprek met een Amsterdamse tramconducteur geraken (candid ca-mera) – dit vanwege het beeldende element in de taal. Uiteindelijk zouden we dan terecht komen bij echte gedichten.

Het ging niet door en ik kreeg geen geld: ik had alleen een idee geleverd en daar, zei men bij de VARA volgens Nico, had men producers voor.

De titel Wij hebben woorden heb ik veel later gebruikt bij een lezing die ik in Sint-Truiden gaf t.g.v. een poézieprijs die ik daar won. De lezing gebeur-de in het Cultureel Centrum aldaar en werd door de Belgische radio uitgezonden.

Voor de NCRV zou ik in een radioprogramma van jazz and poetry optre-den. Maar men betaalde me veel te weinig. Nico zei tegen me: ‘t is publici-teit voor je en je hebt die gedichten toch al geschreven. Ik antwoordde: Ik kom bij een autodealer en ik bied 100 gulden voor een nieuwe Rolls, want die hebben jullie toch al gemaakt.

Ik schreef later een geheel eigen programma en dat was zo nieuw dat me gevraagd werd te komen praten over regisseur bij de NCRV te worden.

Ik wilde Rita Reys en Pim Jacobs in het programma. Die kwamen bij me thuis en Pim was erg enthousiast. Tenslotte durfde Rita het niet aan in het Nederlands iets te doen, er was net een plaatje, door haar in onze taal ge-zongen, geflopt. Overigens: Pim en Rita verdienden in die tijd met een half uur radioo elk 75 gulden.

Nico ried me Milly Scott aan. Ikzelf wilde Anneke Grönloh. Maar toen een indirect betrokken, charmante dame vol alcohol me op de Gooise matras wilde, heb ik afgehaakt.

 

goochelen

 

Nico maakte een goochelprogramma op de zwartwit TV. Ook hijzelf had een truc bedacht. Die ging via een schakelverbinding met Londen. In Ne-derland stapte een dame in een kist, het deksel ging op slot. Onmiddellijk daarna kwam de Londense studio in beeld. Ook daar stond een kist, op slot. Men maakte hem open en uit de kist stapte de jongedame. Het bijzondere was dat het om een live verbinding ging uit ver weg: het gebeurde daar terwijl je hier keek. Toen had dat technisch nog iets exclusiefs. In die jaren bijvoorbeeld had TV=Journaalman Joop van Zijl in Hollandia op Nieuw-Guinea een interviewtje met m’n ex-vrouw en bracht de film zelf mee in  het vliegtuig.

Nico was overigens wel trots op z’n truc, zei hij tegen me. Ach, simpel, zei ik, een eeneiïge tweeling. Ik kon het niet laten, bij zoveel glunder.

Veel later bracht Nico in volle kleuren een serie grootse goochelshows op zaterdagavond. Ik herinner me nog hoe een befaamde Egyptische gooche-laar ene schone dame op een houten bank lei en met een enorme cirkelzaag haar buik als bij een kalkoen aansneed: bloed en ingewanden kwamen eruit, het publiek mocht er langs lopen en wist zich net staande te houden.

 

file

 

Er was aan de Amsterdamse grachten een waar oproer van auto’s. Honderden wagens stonden in de rij weerspannig te brommen omdat ze verder wilden. Het was een uitbundig spitsuur. De Fiat 600, waarin Nico me transporteerde, stond méé. De huizen aan de Leidsegracht toonden geen enkele beweging.

Plotseling trapte Nico op het gas, gooide het stuur naar rechts en we reden over de smalle stoep langs de file.

Dat was volstrekt nieuw voor me.

Wat doe je nou, Nico?

Zo deden we het in Parijs – daar heb ik m’n rijbewijs gehaald.

De Amsterdammertjes, de paaltjes met drie kruisjes, die Amsterdamse be-schutters, kwamen er nog niet an.

 

namen

 

1964. Ons gezin was in verwachting van een tweeling. Meisjes? Jongens? Of gemengd, die zogenaamde rijkeluiswens?

M’n moeder stelde voor dat een van de twee zou worden genoemd naar m’n vader. Die heette Nicolaas. Nu had die naarfamilienoemerij niet onze voor-keur. Maar ikzelf was genoemd naar m’n grootvader èn naar een oudoom die legendarisch was in Zoelen en omgeving (je ziet hem nog wel op oude ansichtkaarten).

Ik bedacht een compromis.

Ik noem het kind naar jou, Nico. Dat wordt dus Nico of Nicole. Dan heeft m’n vader het idee dat het naar hem is genoemd.

Toen in het OLVG het tweede kind te voorschijn kwam, bleek het evenals het eerste een meisje. Daar hadden we niet zo op gerekend (in die tijd kon het geslacht van foetussen nog niet worden vastgesteld) – we hadden al twee dochters, dus de kans op een jongen was volgens ons groot.

Ik bedacht meteen een naam: Danielle, roepnaam Dani. Onze dochter heeft echter later nooit die roepnaam geaccepteerd.

Die naam kwam van een filmster: Danielle Darrieux. De roepnaam ontleen-de ik aan een modernere filmster: Dani Robin.

M’n vader vond het allemaal prachtig. Want, zei hij tegen familie, Nicole naar mij en Danielle naar oom Daan bij wiens gezin ik als kind vaak  in-woonde.

 

moeder

 

Juist in die tijd dat de bevalling naderde, kreeg Nico van de VARA extra verlof voor een Tour de Chant door Canada. Het chansonnerende duo vertrok voor enkele weken.

Nico’s moeder werd hun ’ambassadrice‘. Ze kwam op bezoek, ze belde hoe het ging, ze bracht cadeautjes.

Er werd ook voor een prachtige wieg gezorgd, een leen uit de familie van Jeanine.

De grootmoeder had nog in dit Bretonse model als baby gelegen.

De tweeling paste er uitstekend in, voetjes naar elkaar.

 

Agnes

 

Janine en Nico werden marain en parain van de tweeling. Dat was, legde hij uit, veel meer verantwoordelijkheid dan meter en peter.

De tweeling werd gedoopt in de Agneskerk aan de Amstelveenseweg hoek De Lairessestraat. Janine en Nico droegen de tweeling bij het ritueel. Er waren geen verdere bezoekers bij.

 

optreden

 

Op een zondagmiddag traden Janine en Nico op in het Vondelpark Pavil-joen.

Tour de Chant.

Een reis dus door de geschiedenis van het Franse lied.

Nico leidde het eerste nummer in, Au clair de la lune. Iemand komt bij Pierrot om z’n plume: symbool voor het mannelijk dinges. Maar Pierrot zegt impotent te zijn of erger, hij ligt terneergeslagen, en verwijst naar de buurvrouw. Het kinderliedje blijkt bepaald niet onschuldig.

 

vakantie

 

In die duidelijke zomer van 1964 stelde Nico voor dat we met het hele gezin veertien dagen zouden wonen in zijn flat. Ze waren twee weken met vakan-tie elders. Het was een genereus aanbod: een heel gezin toelaten in je kost-bare privacy. De flat lag aan de Willem Barentsweg, aan de Soestdijker kant van Hilversum en bijna in het bos.

Na een week waren we erachter dat de flat erg klein was voor zes personen, als je de ruimte verminderde met die privacy. Bovendien was het winkelse centrum een eind weg, als je met een volle tweelingwagen en twee kleine kinderen moest wandelen. Daar kwam bij dat de tweeling in het centrum allevrouwer aandacht scheen te trekken. Dit in volstrekte tegenstelling tot Amsterdam. We werden stop gehouden. Vreemde vrouwenadem hing bo-ven de tweeling, dekentjes werden geschikt, de kap van de wagen versteld. Geluidjes als van knaagdiertjes werden geuit. Alles ongevraagd en zonder iets tegen ons te zeggen. Op een moment waren we de wagen zelfs kwijt: een meisje van zeg twaalf liep ermee te wandelen. De winkels stroomden leeg naar onzde tweeling. Vol respect voor de privacy van Janine en Nico, en vol zorg voor het voortbestaan van de Hilversumse economie, besloten Edna en ik, in  spoedvergadering bijeen, bij acclamatie ons terug te trekken en weer naar Amsterdam te tijgen.

 

interludium

 

Er kwam een tijd dat Nico voorstelde dat wij getwee in een café zouden gaan kletsen, in plaats van met echtparen bij elkaar thuis.

In Amsterdam was daar echter in die tijd nauwelijks een etablissement geschikt voor. Het Américain terras? Maar dan moest het zomer zijn.

Ik kreeg, toen Nico me ’s een keer kwam afhalen aan het Van Tuyll van Serooskerkenplein, waar ik woonde, een boek van hem, geschreven door de bekende reclameman David Ogilvy, Credo van een reclameman. Het bleek later zeer leesbaar, ik vond er allerlei bevestiging in: woordspelingen wer-ken slecht in de communicatie, jingles zijn moeizaam te verstaan e.d.

Met dat boek in de hand werd ik door Nico naar Américain gebracht. Daar was een uitermate grote tafel gedekt voor TV-sterren.

In de gauwigheid zag ik Rijk de Gooyer met een servet voorgeknoopt. Toen stelde Nico me voor: Liesbeth, dit is Karel Grazell.

La List was de enige die direct was opgestaan toen we de tafel naderden. Was er iets tussen Liesbeth en Nico?

Natuurlijk, hij had haar gecoacht.

Ze was toen 22, denk ik, nog niet aan grote, beroemdmakende oplages van haar chansons toe.

Er hing alleen de klatergoudige sfeer rond haar van een jong, bijna onervaren iemand die meende dat ze door wat verschijningen op de TV en wat uitstekende plaatjes (die nog niet alom werden opgemerkt) recht had op stardom. Binnen vijf tellen bleken Liesbeth en ik niet bij elkaar te passen.

Jammer.

 

TV of reclame

 

Nico was een uitstekende coach.

Hij was een belangrijke kracht achter verschillende sterren. Ik noem Lies-beth List, Lenny Kuhr en Herman van Veen. Hij was trouwens ook docent aan de Academie voor Kleinkunst.

Eens heb ik zelf hem zien coachen: een meisje dat mode moest lopen, meen ik. In m’n carrière als copywriter, waarin ik ook foto’s en films regisseerde, heb ik vaak acteurs en anderen tot anderse optredens moeten zetten (een acteur als Peter Aryans was bijvoorbeeld voor mij een crime), soms door voordoen, soms door korte aanwijzingen, soms ook door lange gesprekken die nauwelijks over het onderwerp gingen: niet de kennis alleen, maar vooral de persoonlijkheid van wie coacht. Nico was zo’n duidelijke pro-fessional, zag ik, hij had het door.

Toch waren Nico en ik op totaal verschillende terreinen bezig. Ik heb eens tegen hem gezegd: Eigenlijk ben ik niet geschikt voor het maken van pro-gramma’s voor de TV, ik stel als reclameman andere eisen. Jij bent een van de beste TV-regisseurs, toch zou ik je – met alle respect – geen opdracht willen geven voor een reclamefilm. Goeie reclame maken is een andere manier van denken. Leuke en/of interessante programma’s maken: dan is film een doel. Voor mij is film een middel om iemand te verleiden, ik had misschien net zo goed een gedicht kunnen maken. Of een voetbalwedstrijd organiseren.

 

(…)

IJdel het volgende. Ik was creative manager van Ted Bates Nederland. Wat radio/TV creativiteit betreft: dat deel van m’n taak werd eerder door ex-TV-Journaalpresentator Fred Emmer vervuld. Toen ik had opgezegd, kwam naast me alleen voor radio/ TV ex-presentator Flip van der Schalie werken. Die zei: doe jij het maar zolang je nog hier bent, jij kunt het beter. Ik heb zelfs Franse modeshows in het Hilton geregisseerd. Toen werd mode gedanst, met velen.

Een door Geesink uit de USA gekochte regisseur vroeg me of hij, zonder ver-plichtingen mijnerzijds, gratis met mij mocht werken als ik een opdracht had. Jaja, ik weet het: m’n trots te noemen ligt buiten goede smaak. So what. Kijk eens op de TV.

 

gids

 

Ik vind dat als je iemand een welgemeend cadeau wilt geven, dat je dan iets moet kiezen dat hem interesseert en tegelijk jou tot een zekere jaloezie aan-zet omdat je het eigenlijk zou willen hebben en/of houden.

Zo kwam ik een boekje tegen dat uitgegeven was in de jaren negentig van de negentiende eeuw.

Het was een Franse Gids voor Parijs.

Er stonden veel interessantigheden in en hier en daar was de stijl om te genieten, vond ik.

Zo vond ik een lijst van bekende kunstenaars: toneel, schilder e.d. Je kon die mensen kennelijk bezoeken bij hen thuis (er stond bijvoorbeeld in op welke dag de beeldhouwer Rodin ‘jour’ hield, en met vermelding van z’n adres).

Men diene daarbij te bedenken dat in die tijd er nog geen massatoerisme was, het waren incidentele dames en heren van stand en waardigheid, die respectievelijk achter voiles en onder bol- of hoge hoeden hun schoolfrans oefenden temidden van o-là-là.

Zulke gans goede onzeden van het verleden…

Wat ik bijzonder interessant aan het boekje vond: vele pagina’s waren gewijd aan het Horeca’se uitgaansleven. Elk enigszins belangrijk etablisse-ment werd genoemd en beschreven, en van fotografie voorzien.

Ik zag zelfs informatie over het café, waar Aristide Bruant optrad, en met ‘n foto van deze eerste cabaretier des cabaretiers.

De tekstschrijver moet een groot dichter zijn geweest. Hij schreef met een omfloerste fin de siècle openheid. Als het over dames te huur (occasionnes, zou ik zeggen) ging, was de formulering: prêtresses de Vénus.

Ach ja, en als de schoolfransende heer met zo’n priesteresse doende was, ‘uw zoenen heb ik van doene’, kon mevrouw toch ook wel wat verschalken. Bijvoorbeeld bij de Moulin Rouge waren heel aardige, discrete jonge man-nen om haar van dienst te zijn.

Dat boekje gaf ik aan Nico.

Nu, bijna een halve eeuw later, voel ik nog de jaloezie van het nietbezit.

 

(…)

Er kwam een tijdlang met geen Nico. Dat is wel meer gebeurd, soms jaren.

Toen, ineens was Nico daar met Ceciel. Ze was fotomodel en had onder meer geposeerd op de cover van de internationale Vogue. Ik ben bij hun huwelijk geweest. Bas van Gent, een docent uit Leiden, was Nico’s getuige.

M’n geheugen vertelt me weinig over het gebeuren ten stadhuize. Een hardnekkige herinnering van me is dat Ceciel in een ingetogen-blauw deux-pièces was en een klein mandje met blauwe bloemen droeg. Maar ik twijfel met alle ongeloof.

 

wegens echtscheiding

 

Nico zei: nu ik al een tijdje gescheiden ben van Janine, heeft het voor ons nog weinig zin om marain en parain van je tweeling te zijn. Ik trek ons daarom daaruit terug.

Ik respecteerde dat Nico deze mening had.

Ik wist, want ze had het voorgesteld, dat Ceciel best marain wilde worden in plaats van Janine. ’t Zou een van haar overwinningen zijn geweest.

Maar ik zweeg. Ik was het niet met Nico eens, maar ieder heeft recht op z’n autonome standpunt.

 

(…)

Ceciel zei tegen Edna: ik begin altijd enthousiast aan vriendschappen, maar na enkele maanden is dat weer helemaal over. Bij mij is dat ook zo, reageerde Edna. En Ceciel: laten we ons best doen om het wat ons tweeën betreft anders te doen.

Voor zover ik ervan weet, is het niet gelukt.

verjaardag

 

1975. Er was in Frankijk een 20-jarig wonder op de gitaar. En hij was zoon van een gitarist van de Hot Club de France. Hij heette Boulou en Nico orga-niseerde voor zijn vrienden een avond optreden.

In de Loenense schouwburg was een begeleidend orkestje, met onder meer Mary Hehuat, die Edna en ik kenden als broer van huisvriend Han Hehuat, en de vader van Boulou. Ook speelde er een prachtige bluespianist die erf-gemaa was van enige kranten in het Zuiden des lands. We zaten aan tafel-tjes te luisteren en te drinken. Ik praatte in de pauze met Ramses Shaffy en toen Edna zag dat hij en ik elkaar kenden, kwam ze erbij en ik vond het even later goed om met een ander te gaan kletsen. Ramses had in de prak-tijk vooral nu eenmaal een fluïdum dat (net als bij bijvoorbeeld Mies Bou-man die me ooit bijna naar haar toe zoog) vrouw en man magisseerde.

Ik schreef in die dagen een gedicht over Boulou:

 

gitarist boulou

 

hij is de man met de ratel

die de honden van verveling

uit de zaal jaagt

 

hij is de inquisitie

die het houten hart van

christus martelt

 

zijn handen zijn vol vogels

die hun snavels zetten

in de lente van de snaren

 

hij is de koorddanser

die verbeten wankelt op

het licht van de eeuwigheid

 

hij is de man die

de baarmoeder op zijn knie

in zijn buik probeert

te krijgen

 

zijn handen zijn vol vogels

 

Ik vertaalde het zo goed mogelijk in het Frans om het aan Boulou te doen toekomen. Maar eerst gaf ik het nog ter controle aan Nico. Die zei: mijn moeder weet meer van het huidige Frans dan ik, het zou kunnen dat bij-voorbeeld een woord een andere betekenis erbij heeft.

En toen was er op een etage boven de fotowinkel in de PC Hooftstraat een niettegroot feest: familie en enkele vriend(inn)en. Nico woonde daar met Ceciel en hij was jarig: 39, 40.

M’n geheugen schotelt me nog een gesprek voor met Harry (Harm voor anderen) Stuit, m’n schoolvriend die met Marianne nog was getrouwd en na een artsenpraktijk in Buitenveldert te hebben gehad nu directeurgenees-heer van de Amstelhof aan de Amstel was.  Hij vroeg me uit te leggen wat mijn beroep precies inhield. Ik zei dat ik hem zou vertellen wat ik die dag had gedaan. Na afloop zei hij: dat kan niet, Karel, twaalf ideeën in één dag, dat kunnen de hersens niet aan. 

De moeder van Nico was er ook. Ik hintte: Nico, dat Frans.

Ze las het en zei dat één woord moest veranderen, want dat had een tweede betekenis. Ik ben geen vragensteller, maar Nico vroeg: wat is die andere betekenis dan?

En z’n moeder antwoordde met haar geaffecteerde stem: zich afrùkken.

Pakweg een decennium later zei Marianne tegen Edna alsnog: zo’n woord zou m’n moeder nooit zeggen.

Klopt. Ze zei niet afrukken, maar aftrekken. Maar als je het schrijft, komt bij het woord afrukken haar geaffecteerdheid sterker naar voren.

Het gedicht, vertelde Nico me, ging naar Boulou en die zette het op muziek en voerde het uit.

 

de NiKa avonden

 

In 1951 trok ik op de kamer van m’n vriendin vooral op zondagavonden enkele vrienden aan. Vriendin schonk uitsluitend thee.  Soms organiseerden we zelfs een authentieke Middeleeuwse maaltijd, inclusief gedragingen.

Korte tijd later groeiden die avonden uit tot fascinerende bijeenkomsten, waarover sommigen nog tientallen jaren later spraken. Eigenlijk was de formule eenvoudig: ik selecteerde mensen die geschikt waren om bij ons in groepjes op de vloer zittend met elkaar te praten, elk groepje over een eigen onderwerp dat toevallig opkwam. Zo herinner ik me Ab Hanke, later pro-fessor, die vertelde over micro- en macrokosmos welke in elkaar overgin-gen, en over de Petersburgse paradox. Lucebert las gedichten voor. ‘Het gemurmul van de buurman’. Pieter van der Staak vertelde bij z’n gitaar.

De avonden duurden zo’n beetje van 8 tot 11 uur.

Het selecteren van de bezoekers was moeilijk. Zo vond ik dat m’n vriend Bob er niet paste. Na ongeveer een jaar gaf ik toe, hij organiseerde meteen op zo’n avond een thema voor met z’n allemaal, best leuk, maar de avonden gingen snel over.

Die wekelijkse avonden bij Claartje waren in onze kringen legendarisch. Men probeerde ze na te doen, zoals bijvoorbeeld in de Anthonie van Dijk-straat, enkele jaren later – maar ik neem aan dat daar per keer een soort programma was. Juist het niets moeten, ook niet een gezamenlijk, was de charme van de oorspronkelijke bijeenkomsten.

Eerste helft jaren zeventig zaten Nico en ik herinneringen op te halen. Het bleek dat we er beiden wel voor voelden die avonden opnieuw te organi-seren.

Het werden de NiKa avonden, heel leuk, ja, maar toch ook heel anders. Eens in de maand kwam een aantal mensen met verschillende interesses bij elkaar. Reclamefotograaf en zijn vrouw. Directrice van een modelagency. Architect. Moderne muziekkenner/dichter/copywriter en z’n vrouw. Docent in Leiden met biologe. Die ongeveer.

We kwamen maandelijks bij elkaar, steeds bij een ander lid van NiKa. De gastheer of –vrouw verzorgde dan een lezing of soortgelijke. Ik herinner me:

bij Nico over Franse chansons

bij Nico ook een dichtersavond

bij mij bracht ieder z’n favoriete muziek in, o.a. trompetconcert van Sjos-takowitz, Adagio’s van Pijper, Duke Ellington

bij architect Clim Meijer een lezing met dia’s over een Zwolse flatwijk, waar hij om bewoners langer te laten huren, kleuren toepaste.

bij de copywriter Ton van Pelt (‘welkomwijd’ heeft hij bedacht, en meneer Jamin) moderne muziek (ik heb nog een gesigneerede bundel gedichten van hem, uit de bibliotheek van A. Roland Holst)

Nico en ik verschilden van mening over de opzet van de avonden. Ik wilde geen programma, maar improvisatie zoals de avonden bij Claartje – maar Nico wilde juist nog meer programmering. We werden het niet eens en Nico maakte een eind aan z’n medewerking. En de avonden stopten helemaal toen kort daarna Ton van Pelt overleed..

Ik moet toegeven, bijna alle leden van NiKa werden ingebracht door Nico en Ceciel. Ik denk dat ik een beetje overdonderd was door hun inbreng en hun opzet van de avonden, en het maar liet begaan. Hun inbreng maakte de groep ook groot genoeg, vond ik.

Ik heb later nog wel eens meegedaan aan ook zulke avonden. Maar vaste leden, qua aantal passend in een huiskamer, met elke maand een lezing van een hunner, dat is niet vol te houden. Mensen kunnen soms ineens niet, er moet een reserve-lezinger zijn, de ideeën raken snel uitgeput. En de mee-doeners zijn steeds dezelfden en er zijn vriendjes en nietvriendjes, of dis-cussies lopen uit op twee deelnemers en niet meer: zo lagen de secretaris van de Gezondheidsraad en ik elkaar heel goed, en dat isoleerde anderen.

De onprogrammatische opzet van de avonden bij Claartje, de wisselende groepjesvorming en de mogelijkheid dat het bezoekersassortiment steeds partieel werd ververst, voorkwamen deze problemen.

Nu ik dit schrijf, denk ik dat de avonden bij Claartje onherhaalbaar waren.

 

jury

 

Onze oudste dochter Franca had zich rond haar zeventiende laten opleiden tot mannequin bij Montaigne.

Ceciel was bij die mode-academie betrokken.

Tenslotte was er in de Wintertuin van Krasnapolsky een eindexamen. Ceciel zai in de jury.

Ze kwam naar me toe en zei: Franca is de beste, ze is een natuurtalent, een schatje, en ze zou moeten winnen. Maar ze wil er niet haar beroep van ma-ken. Nummer twee op ons lijstje wil dat wel. We zullen voor haar reclame moeten maken en haar dus laten winnen. Ik hoop dat je daar begrip voor hebt.

Franca viel één keer in voor Edna.

Daarna werd ze KLM stewardesse/purser.

 

verjaardag

 

Nico was weer eens jarig, nu op de Stadionkade. De flat was boordevol feestvierders, de een nog TV-er dan de ander. Maar ook Edna en ik waren er en we hadden veel plezier. Het was een zaterdagavond en de TV moest aan voor de Rudi Carrellshow die Nico had geregisseerd. Ik moet bekennen dat ik niet heb gekeken. na afloop ging de telefoon en Nico deelde ons mede dat tegen enen Rudi Carrell zelf op bezoek zou komen. Een rokerige, war-me opwinding ging boven de drukte van de twee kamers en suite hangen.

Edna en ik waren wellicht de enigen die weinig of geen interesse hadden. We gingen vroegtijdig naar huis.

 

Gilde

 

Eind 1984 merkte ik de nieuwe Stichting Gilde Amsteram op. Die  wilde de kennis en ervaring van Amsterdamse 55plussers gratis overbrengen aan wie ook maar wilde.

Ik ging er meteen naar toe, werd tijdens dat bezoek direct ingeschakeld voor marketing.

Men vroeg me als lid van de nieuwe reclamecommissie, later van de werkgroep die het concept van Mee in Mokum (rondleidingen in Amsterdam door ouderen – het concept is bij mij thuis begonnen: ik was intussen marketing praatpaal van initiatiefnemer/directeur drs. Wout van Doornik), lid reclamecommissie van Mee in Mokum en van enkele andere ‘dochters’.

Ik had samen met een ‘leerling’, de grijze dichter van Osdorp, Wim Moerenhout, een galerie Toonplaats bij Gilde.

Ik gaf ’les’ in schaken, go, journalistiek, copywriten, film, schrijven, ik gaf marketingadviezen aan orkesten, een toneelgroep, een bankier, starters, kunstenaars, stichtingen etc. Ik trad op met een leserfiek-collectief.

Ooit vroeg Wout me: Jij kent zoveel mensen. Ken je misschien ook Nico Knapper?

Wout had, toen hij werkstudent was, bij Nico en Janine gewerkt als werkster.

Dat was in hun drive-in woning aan de Buitenveldertse Boshuizenstraat.

 

Vondelkerk

 

1988. Albert Heijn Gzn. was bij me gekomen voor marketingadviezen: hij had o.m. een bedrijf, waarvoor hij ideeën zocht van spellen, waarin geen sprake was van een vileine rivaliteit tussen de deelnemers, en een erotische galerie, De Drie Gratiën. Voor deze laatste schreef ik (deels) en redigeerde ook de catalogus Billen M/V.

Ik was ook bezig met het samenstellen van een bundel gedichten. Die be-stond uit 3 delen: over de Elfstedentocht, de Amstel van Adel en de Dom in Utrecht. Ik stelde voor dat hij die uitgave zou sponsoren: ik noemde de bundel dan naar zijn galerie.

Het werd een uitgebreide presentatie in de Vondelkerk, de Kerk van het Heilig Hart.

Op die regenende avond kwamen tegen de honderd mensen opdagen.

De presentatie bestond uit:

. een inleiding door de uitgever Wim Simons

. drie jonge dichteressen, de 3 gratiën, die elk een gedicht hadden gemaakt

vanuit een regel die ik, elk in een afdeling van m’n bundel, aan een gratie had gewijd – het waren: Eugénie de Munck, Frances Ruijter en Sylvia Hubers

. een groot drieluik, speciaal voor die avond geschilderd door Harm Jan Bathoorn, op basis van diezelfde drie dichtregels van me

. een forum van commercieel creatieve mensen die ook hun sporen in de poëzie op een of andere wijze hadden verdiend – het forum stond onder voorzitterschap van journalist/dichter Wim Zaal, de leden waren Michael Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn, eerder eindredacteur van Avenue en Cosmopolitan, docent journalistiek en dichter, Nico Knapper, Martin Veltman, gewezen mede-oprichter van roemrucht reclameadviesbureau FHV, dichter, en Fred Portegies Zwart, copywriter (‘okselfris’ was een neologisme uit zijn pen eh toetsenbord) en dichter.

De discussie, waaraan ook de zaal deelnam, speciaal Albert-Jan Govers en Henk Hofman,  beiden eveneens in soortgelijke dubbelfuncties als het fo-rum, ging over het verband tussen copywriting en dichten: een door bijna elke literairder verdoemd onderwerp. Wie commercieel schrijft en/of crea-tief is, kan niet dichten, meent men: Gerrit Kouwenaar zei dat al begin 1948 tegen me, terwijl hij toen toch journalist van dagblad De Waarheid was.

Tegen het eind van de avond vroeg Albert me: Hoe komt deze avond nou op je over? Ik antwoordde: Ik weet het niet precies, ik kan het niet formuleren. En Albert: Je bedoelt dat je ouders het hadden moeten meemaken. Ja, zei ik, en dat was de hele dialoog.

In reclamevakblad Adformatie stond een uitgebreid verslag van de forum-discussie.

 

nee

 

Nico en Ceciel waren gescheiden. Op een avond rond ’90 kookte Nico voor me en tegen tienen zou z’n nieuwe vriendin komen en dan moesten ze weg.

Ik ontmoette haar en ’s nachts sprak ik op Nico’s antwoordapparaat m’n waardering voor haar uit. Een wereldvrouw, zei ik.

Jek en Nico gingen wonen  in een mooi achterhuis aan de Keizersgracht.

Op een ochtend kwam ik hen daar onverwacht opzoeken. Dat onverwachte dateerde nog uit dat er weinig telefoons waren om afspraken te maken.

Ik had een boekje gemaakt met enkele gedichten van me erin en wat blanco pagina’s om Nico te inspireren ook weer eens wat te gaan dichten.

Wat mij vooral bij dat bezoek opviel was dat in de achtertuin een bruin-zwarte vlinder vloog en het was begin februari. Aan de andere kant van die tuin was de achtergevel van een huis te zien, waar ooit – wees Nico me – een makelaar had gewoond, die model had gestaan voor Bastavus Droogstop-pel, de makelaar in de Max Havelaar van Multatuli. Ook een naoorlogs bekende circusjournalist Van Doveren en een eveneens befaamde naald-kunstenares hadden daar gewoond.

Ik kon beter op avonden komen, stelde Nico voor. Maar ik wilde dat niet: in het donker lopen vanaf de tramhalte aan het Spui door de zijstraatjes naar de Keizersgracht. Veel ouderen die de Sperrzeit in de Bezetting meemaak-ten, kwamen ’s avonds niet meer buiten.

Ik voelde me te oud om nog veilig te zijn. Ik zei dus: Nee.

Na nog een brief van Nico, waarin hij schreef dat hij toch niet tot dichten kwam, sloten we weer eens het contact af. Nu voor een jaar of twintig. Vriend, schreef hij in z’n brief.

Maar ja…

 

uit m’n gastenboek

 

18.5.89

 

Onze eerste uitstapjes

zo’n kleine 40 jaar geleden

altijd wel literair getint

Dootr de jaren heen

schoksgewijs

met wisselende contacten

toch telkens weer

een vervolgverhaal

dat blijft boeien

maar waarvan ik

blijf hopen

dat ’t boek

nog lang niet uit is!

 

Nico Knapper

 

 

 

uuu

 

 

 

 

 

 

uitleiding

 

Ik sluit m’n relaas van herinneringen die soms wat belangrijk lijken, vaak ook nauwelijks terzake doen. De ontmanteling door de tijd krijgt steeds groter vor-men. Aan alle kanten worden we afgebouwd in onze witgrijsheid. Van de vele tienduizenden (of nog veel meer) die ik heb gekend, bleven nog enkelingen over. Nico Knapper is er zo een. Hij is nu 76. Hij werd als TV-regisseur speci-aal bekend als de man van Nederlandse sitcoms, zoals Zeg ‘ns Aa en Oppassen. Hij treedt wel op als troubadour, als promotor van het Nederlandse lied vooral. Wij zijn de moderne bejaarden, zei Simon Vinkenoog ooit tegen me. 

Herinneringen zijn oorspronkelijk bedoeld voor wie ze heeft. Diegene maakt er ervaringen van, die hem helpen te leven en in leven te blijven. In de loop van onze ontwikkeling hebben we het geheugen veel breder gemaakt en veel gedetailleerder, we hebben onze herinneringen bovendien in taal weten om te zetten en die is sociaal en geeft ons de mogelijkheid tot een heel andere func-tie: die van het amuseren, en die van het verstrekken van historische gegevens. Taal maakt wat onze zintuigen registreren, anders van beeld. Taal is een soort tussenzintuig, een brug tussen waarneming en herinneringsbeeld.

Toch blijkt me ook weer hier, in dit relaas van wat weet ik nog van m’n om-gang met Nico Knapper, dat de herinneringen door velerlei toevoegingen en interpretaties met nog steeds veel egocentriciteit worden begeleid. Soit.

 

u u u

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

egoheid der egoheden, alles is egoheid

 

Zoals een copywriter dat nu eenmaal schrijft, over Shell, over de Bijenkorf, en over zichzelf. De wereld is er vol van.

 

Bijna eenenzestig jaar geleden dus leerde ik Nico Knapper kennen. Ik mag hem wel een tot vriend gepromoveerde fan noemen? Naast een vriendschap die soms een tijd(je) werd onderbroken, was ik ook jarenlang met z’n zusje, kookboekenschrijfster en kookdocente Marianne, bevriend.

Nico en ik  maakten beiden carrière, hij bij de TV, ik in de reclame. Bij het relaas van m’n herinneringen voor zover Nico daarin voorkomt, zal het goed zijn ook mijn leven te lezen – hoewel, u mag dit natuurlijk overslaan.

In 1928 geboren, ben ik opgegroeid in de periferie van Amsterdam. Voornamelijk aan wellicht de oudste weg buiten de voor en tijdens WO II bestaande bebouwde kom van de stad, een Middeleeuwse dijk die geïsoleerd tussen de polderweilanden voerde naar een klein, langgerekt dorp Nieuwer-Amstel/Amstelveen. en ooit zelfs een beetje een bedevaartsweg moet zijn geweest.

Ik was op kleuter- en lagere school in dat dorp. Vanaf mei ’40 tot iets voorbij de Bevrijding doorliep ik de HBS aan de Amsterdamse Roelof Hartstraat, maar wegens de oorlog ging ik zo snel mogelijk naar school en naar huis en ik had dus weinig contacten en zag weinig van Amsterdam. De stad leerde ik pas kennen begin zomer ’45, toen ik me inschreef aan de Gemeentelijke Universiteit. Ik was op de HBS een stille figuur geweest, die nauwelijks meedeed aan het sociale leven van de klas. Dat kwam door mij, dat kwam door de oorlog. Ik was goed in wiskunde en talen, maar ik werd duidelijk gefrustreerd door die op z’n minst merkwaardige opvattingen van leraren. Voorbeelden: ik kreeg eens voor wiskunde, terwijl ik tienen verdiende, slechts zevens resp. achten op m’n rapporten en voor een vertaling uit het Duits, foutloos, een vier  omdat ik m’n werk niet nog eens controleerde. Ik ging elk jaar moeizaam over.

Aan de Universiteit werd ik samen met enkele anderen al gauw een voortrekker wat nieuwe verhoudingen betreft. We gingen wèl met meisjes om, de professor was geen autoriteit meer, we waren tegen het studentencorps. Engagement was van belang. De ivoren toren moest om. Van studentenkant waren we voorstander van een Politiek-Sociale Faculteit.

Toen il 17½ was, werd ik medeoprichter/bestuurslid van een grote werkgroep en dispuutbestuurder ervan: gegroepeerd rondom Professor Baschwitz, een grondlegger van de communicatiewetenschap. Tegen de 18 vroeg men me als bestuurslid van een vrij grote studentenvereniging (ik was dat enkele jaren), ik was er redacteur (ik werkte samen met een bekend weekblad) en ik richtte een nieuw dispuut op en zat in het bestuur ervan.

Op de HBS had ik les Nederlands van Maartje Draak gehad (een hoofdpersoon in Het Bureau van Voskuil): ik vond haar zeuren, ze was verrukt van de sonnetten van de Tachtigers. Al proza schrijvende, dacht ik uit verveling in de Hongerwinter: sonnetten kan ik ook. ‘Ik zie even haar gelaat, wanneer ze voor me uit de klas verlaat.´ Ik begon te dichten. In najaar ´46 ging ik, op advies van bekende schrijver Ant. van Kampen, publiceren (‘golven die als kameelruggen’). Dat gebeurde in het studentenblad van de Gemeente Universiteit van Amsterdam, in Propria Cures (en ik bleef dat doen tot in de zomer van ´50, toen ik journalist was geworden en met m’n studie gestopt – ik sloot af met een novelle in afleveringen). Intussen had ik in ’47 W.F. Hermans leren kennen en die plaatste werk van me in Criterium. ‘Ik hang aan een touw van geduld.’ In datzelfde ’47 vormde ik met o.m. Niels Augustin, Dolf Toussaint, Simon Vinkenoog en (schilderes) Doortje Tuinman een (eerste na WO II) avantgardistisch groepje met zelfs een eigen tijdschrift. ‘Wij gaan kapot aan drop en aan gordijnen’ en ‘gij komt mij toe met brandweerauto’s’, schreef ik. Ik werd door een wat oudere generatie van schrijvers als een coming man gezien: ‘een nieuwe A. van Schendel’, zei Ferdinand Langen. In ’50 publiceerde ik in Podium en Braak, en m’n eerste bundeltje kwam uit. Eind ’50 schreef Hans van Straten dat Lucebert en ik representatief waren voor de toentertijdse jonge generatie. Of soortgelijks.

In ’47 (er gebeurde duidelijk veel in dat jaar) kwam ik ook temidden van de kunstenaars op het Leidseplein terecht. Bij Café Eijlders ontmoette ik Gerard den Brabander, toen een bewonderd dichter. Ik was de jongste in het kroegleven en soms moest er gecollecteerd worden voor een taxi om Gerard (die dan te bierig was) naar huis te brengen en ik moest met hem naar de Bosboom Toussaintstraat. Ik duwde hem naar zoveel hoog de trap op. Ik heb nog tegen het achterwerk van een bekende dichter geduwd!

Eind ’50 maakte ik me los van het literaire, schrijven was een vak, ik zat in de journalistiek, deed ook andere dingen, verdiende zelfs met schaken een tijdje m’n brood. Ik kwam op toneel, had een juridisch adviesbureau, maakte pick-up elementen, werd chef van een stadhuisafdeling etc. – en intussen werkte ik als free lance journalist, vooral voor een grootoplagig weekblad en regionale dagbladen als ik een aardig avontuur zag: koningsrelletjes in Brussel, kloosters langs, amateurtoneel, Ellen Vogel. Ook introductie Y-lijn, huwelijk Rainier/Grace Kelly – maar die dan vanuit thuis. In ’56 betrad ik de reclame als copywriter en maakte snel carrière. Tot m’n laatste werk daar, begin jaren tachtig, behoorde een half uur commerciële film: Spar Factualiteiten, ik schreef script,  produceerde, regisseerde Ruud ter Weijden en Joan Haanappel bij Cinevideo in de Flevo, en superviseerde de montage – alles in 5 dagen: de film bracht de geplande anderhalf miljoen op. Ik maakte ook een dia-presentatie van een half uur op 6 schermen. En nog enkele grote campagnes, zoals twee voor de Rabobank (één inclusief een nieuwe positionering). Voor Calvé werkte ik in die tijd samen met kookboekenschrijfster Marianne Knapper. Nadien gaf ik veel les en advies als vrijwilliger, vertelde over het naoorlogse Leidseplein in een film voor regionale TV, deed als dj, trad op met eigen leseriek-collectief in o.m. diverse theaters, werd lid van diverse Raden van Advies, Amsterdams stadsdichter uit Zuid, enz.

Voor m’n vrijwilligend en literairend werk kreeg ik een lintje, werd op internet gekozen als ‘held’, en de ambassade van Benin in Brussel vroeg een onderscheiding aan bij de president van dat land. Omdat de laatste man van de uitgeverij waar ik praktisch altijd publiceerde (bedrijf van o.a. Wim Simons, Johan Polak, Martin Veltman) was overleden, bedacht ik een digitale uitgeverij die de laatste jaren in beperkte oplage m’n eigen werk verspreidt.

Tegen de jaren negentig vonden verschillende auteurs, zoals Vinkenoog, Van Straten, Praas, dat ik m’n herinneringen maar eens moest gaan schrijven. Dat leidde tot tien ordners vol anekdotes en andere verhalen: ‘toen van tijd, nu van taal’ – over literair aventgardisme vóór de Experimentelen, over de Vijftigers en andere literairen, over Cobra schilders en anderen, over componisten en uitvoerende musici, acteurs die ik op het toneel van veel schouwburgen meemaakte, over de naoorloge studentenwereld, over de Leidsepleinjeugd van ’47 tot ’51, over de journalistiek, de reclamewereld, de leerlingen die ik had nadat ik was gestopt met werken, etc. Daaruit kwamen onder meer zes boekverzamelingen voort (eentje samen met Jan Praas), veel eigenbeheersboekjes gedrukt en digitaal), en aan diverse biografieën droeg ik bij, zoals over Lucebert (z’n affiche was ooit van mij), Jan Arends, Vinkenoog (deze laatste nog steeds niet verschenen).

Uit die grote stapel papieren en bestanden stelde ik ook een (digitaal) boek samen over m’n herinneringen, waarin Nico Knapper voorkomt. Het boek staat in een mooie rij, waarin schrijfsels over m’n vader, een vriendin, Gilde Amsterdam, Willem J., van der Molen, Jan Arends, de Vijftigers, de vóórVijftigers, Henk Hilhorst, Imré Somogyi, enz. enz.

Zo: meer dan genoeg over mezelf. Maar ik zei het al, u mag dit overslaan. O ja, ik gaf o.m. bundels uit met titels als Narcissus in Demon, Et in qwerty ego. Dus…

 

Karel N.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit Zuid

in het nippertje van december 2011

 

u u u

 

 

(bijlage)

 

I.M. Marianne Knapper
(25.4.05)

Een hand, bijna doorzichtig, wijst
het uur aan: onverwacht, nog voor
je ontbijt, in de fluweelstilte van
de nacht. Tijd stolt ineens dicht. En
je nieuwe, ongedachte reis begint.
Een voorjaar klimt als een vogel
naar omhoog, zingt hemelsblauw
(het ijs van de pijn gesmolten).

Op
de luchtfoto van je leven zie ik ons
soms samen gaan, zo te geef aan een
gave aandacht, aan een lach, aan wat
zin: in die nauwe diepte van stadjes
en straatjes herinnering raakten we
elkaar dan bijna aan.

Nu stond ik
even alleen tussen de graven. Je
kist verdronk in de aarde, en er
waren géén mensen die er waren,
géén bomen die rondom me als
bomen waakten. Engelen hingen
gesteven in de wolken. En allener
dan alleen zag ik, dit alles bijna
ten einde eveneens, m’n leven
met je dood verweven, en ik wist:
de dood maakt ons niet weg, maar
onaanwezig. En er ging een volop
zingen, ging volop hemelsblauw.

                       KNLG op website geheugenvanoost