New York (1958)

 

 

NEW YORK

(1958)

 

In het NRC van deze week stonden allerlei verslagen van mensen die hun eerste kennismaking met New York vertelden. Dat zet me ertoe aan om dit ook te doen.Plus de rest van mijn Amerikaans avontuur.

We zijn in 1958. Mijn vrouw Janine en ik hebben ons een plaatsje weten te verwerven in de Parijse cabarets, waar we optreden met (toen nog) onbekende artiesten als Jacques Brel, Barbara, Jean Ferrat, Georges Moustaki en heel veel anderen die onbekend zijn gebleven.

Daar werden we ontdekt door een jonge Amerikaanse  impresario: Jay Hofman, die ons vroeg voor het International Chicago Festival. Het bracht niet veel geld op en hij kon ons alleen maar de heenreis naar de States betalen, maar het was een interessant avontuur. Dus we gingen.

We kwamen aan op wat toen nog de La Guardia airport heette waar we het vliegtuig voor Chicago moesten nemen Jay wachtte ons op. Zijn verhaal was somber. Hij had  na het festival niks anders kunnen regelen, dus moesten we heel zuinig zijn om de terugreis te kunnen betalen Maar we konden in Chicago wel logeren bij een oude schoolvriend van hem, wiens vader- een geïmmigreerde Siciliaan- als tuinman werkte in een sjieke buitenwijk, waar hijzelf ook woonde zodat de huisvesting goed op stand was.

Het waren inderdaad schatten van mensen, die zo trots waren op hun nieuwe huis met nieuw leren bankstel, dat ze uit voorzorg het plastic maar om de meubels hadden laten zitten. Op de schoorsteenmantel stond een fotovan de ouderlijke boerderij in Sicilië waar bij wijze van spreken de vliegen nog vanaf vlogen.

In Chicago begon voor ons een briljant avontuur. Het Festival was gigantisch groot. Er waren attracties uit de hele wereld. India, Japan, Afrika, Europa etc. We moesten daar 4 keer per dag optreden met onze chansons in een grote zaal. Nu zette ik om gitaar te spelen mijn voet op een krukje, dus vroeg ik aan de toneelmeesters of ze dat krukje neer konden zetten voordat we het toneel opgingen.

Nee, dat was niet mogelijk. Dat viel niet onder hun door de “Union”geregelde taakomschrijving.

Ik kwam met een oplossing.

Men maakte een donkerslag, waarin ik (illegaal) het toneel opliep met het krukje en snel weer afging. Daarna volgde de aankonding:

“And now, straight from Paris, the young and adorable couple Janine and Nico!!!” En dan kwamen wij op.

Na afloop weer een donkerslag waarin ik het krukje weghaalde.

Na een paar dagen kwam de festivalleiding, bleek om de neus, om een probleem met me te bespreken. De vakbondvan de musici was gekomen en had geconstateerd dat ik geen lid van de Union was en als zodanig dus niet mocht optreden of dat er anders tenminste een Amerikaanse vervanger moest worden betaald. Ze dreigden (revolver op tafel) de hele tent te sluiten als er geen oplossing kwam.

“Maar ik ben toch lid van de Union?”vroeg ik verbaasd, want dat was van te voren geregeld.

Ja, dat was de Artists Union maar dit ging over de Musicians Union. Omdat ik een instrument bespeelde.

Hun voorstel was het volgende.

Je krijgt geld voor de taxi, je gaat naar het bureau van Jo Petrillo, de (maffia)baasvan de Union, je zegt dat je “Union Minimum” verdient en je betaalt 100 dollar voor je lidmaatschap.”

Zo gedaan. We kwamen in een gangsterfilm terecht. Zo zagen die lui eruit die daar rondliepen. We deden precies wat ons gezegd was. Alleen vroeg ik toch even hoeveel het Union Minimum eigenlijk inhield. Dat was 200 dollar per week en wij kregen maar 100.  Terug bij het festival was iedereen blij en opgelucht totdat ik vroeg waarom ik eigenlijk geen Union Minimum verdiende.

Ja, dat was zo afgesproken met jullie impresario.

Maar dan hadden jullie je Franse Act toch beter uit de Bronx kunnen halen, ik moet ook nog terugvliegen naar Parijs.

Nee, op die afspraak viel niet terug te komen.

Toen zei ik: “Ik heb het idee dat mijn Engels niet goed genoeg is om met jullie te onderhandelen, maar dat is geen bezwaar, want ik ben nu lid van de Musicians Union en ik zal hen vragen om dat voor mij te doen. “

Toen was het zo geregeld. En nu komt het leukste.

Daarna waren we de beste vrienden. Ze waardeerden mijn houding en toonden respect. In Amerika ben je een “bum” of een “loser” als je niet van je afbijt.

Dus met iets meer geld op zak dan waarop we hadden gerekend gingen we terug naar New York. Dat deden we met een Greyhound bus.

Ook weer een bijzondere ervaring.

Op gezette tijden werd er gestopt bij een Howard Johnson Cafetaria, waar je wat kon eten en drinken. Die etablissementen waren zo identiek van inrichting en van bediening met serveerstertjes in zwarte jurkjes en een wit floddertje op het hoofd dat je het idee kreeg dat je helemaal nooit opschoot en dat je het zachtgekookte eitje dat je hier bestelde daar kon door eten.

Toch raakten we steeds dichterbij New York.

In de bus was een toilet en Janine ging daarheen.

Ze kwam terug met een noodlotstijding. Ze had op de bril gezeten en had haar tas achterop de spoelbak gezet.

Toen maakte de bus een abrupte rembeweging waardoor ze voorover schoot en de hele inhoud van haar tas in de w.c. verdween. In die tas zat al ons geld en het adressenboekje.

Wat nu.

Ik ging naar de chauffeur, maar die wist ook geen oplossing.

“Als de reis over is kunt u in het chemisch reservoir kijken.”

Ik nam een dappere beslissing, sloot me op in het toilet, stroopte mijn mouw op en ging vissen.

Soms greep ik mis maar uiteindelijk wist ik alles terug te vinden.

Alles afgespoeld in het wasbakje. Mijn arm heb ik nog dagenlang na gewassen.

Om 4 uur ’s nachts werden we afgezet bij het Greyhound Busstation.

De straten waren gevuld met rookwolken, die uit de buizen van de gemeenschappelijke huisverwarming ontsnapten. Spookachtig.

We namen een taxi naar het adres van onze impresario. Montaguestreet in Brooklyn. Daar was niemand thuis. Ergens in dezelfde straat was een louche hotelletje, dat ons wel een kamer wilde geven als we vooruit betaalden.

Uiteindelijk kwam alles goed en dankzij het feit dat ik nu lid was van de Musicians Union” van Chicago konden we makkelijker een contract vinden.

We speelden in de “Left Bank” een sjieke lounge bar tegenover de Madison Square Garden. Eigenares was Dorothy Kilgallen. Ze had een roddelrubriek in een New Yorkse krant en de hele Beau Monde kwam in haar tent om zich te laten zien. Daar waren we heel succesvol en dat was het begin van een  Amerikaanse carrière.

Geregeld gingen we heen en weer tussen Parijs en New York, altijd met de Holland Amerikalijn,waar we dan per overtocht één maal optraden, zodat de ticket ons nauwelijks iets kostte.

We deden een Nationwide t.v. show met als gevolg dat we soms midden in de provincie bij een benzinestation werden herkend als dat Franse Couple.

We gingen terug naar Chicago om op te treden in “The Gate of Horn”, een Folkclub, die het eigendom was van Al Grossman. Hij werd later de manager van Bob Dylan. Maar dat was later. Nu had hij Joan Baez laten komen om haar manager te worden maar zij wilde niet met hem werken. Ze vond hem te commerciëel. Wij ontmoetten haar toen ze blootvoets op zo’n brownstone trappetje zat met allemaal zwarte kindertjes om haar heen. Een perfecte illustratie van het idealistische, enigszins wereldvreemde typetje met die wonderschone stem. Zij die zo’n wereldwijde carrière zou maken en zo’n problematische verhouding kreeg met Bob Dylan.

Later heb ik nog wel een uitzending met haar gemaakt voor de Nederlandse t.v. in zo’n grote sporthal in Hilversum. Daar liepen we dan hand in hand door die grote zaal en haalden herinneringen op aan haar begintijd.

Ik had haar na Chicago weer ontmoet in New York tijdens een radiouitzending in de “Village Gate” DE plek waar alle folksingers optraden en waar wij ook een paar keer  een drieweeks contract kregen.

Wie ontmoetten we nog meer in die tijd. Namen die de mensen van nu misschien niet veel meer zeggen, maar die toen groot waren en die de grondslag hebben gelegd voor de populariteitvan de “Folksong” in Amerika.

Odetta, zo’n sterke persoonlijkheid, zo’n fantastische zangeres. Met haar bezochten we in Chicago een museum van honkytonk piano’s en pianola’s. We lieten ze allemaal spelen en genoten. Luister naar haar op Youtube.

Pete Seeger, natuurlijk, de eminence grise  en Fred Hellerman van de Weavers. En de zoon van Pete, die me fingerpickin’gitaar leerde spelen. Hij had een groep met de naam: “Foggy Mountain boys”of zoiets. Ze speelden echte Hillbilly muziek.

En natuurlijk Mabel Mercer.

We ontmoetten haar tijdens een opname van de “Playboy Show”. Die werd gemaakt in Chicago en werd gepresenteerd door Hugh Hafner zelf. Het was een echt lifestyle programma. Met items over golf, auto’s, dure horloges en weet ik al meer. Zijn co presentatrice was de girl die in de volgende Playboy met naaktfoto’s in het middensegment stond. Zeg maar onder de nietjes.

Nu was ze prachtig aangekleed in avondjurk, maar als je meer wilde zien wist je wat je moest kopen!

De figuratie bestond uit louter bloedmooie figuranten. Niet alleen maar modellen. Een meisje met wie ik in gesprek kwam studeerde filosofie aan de universiteit en had een dik leerboek bij zich.

Ik moest dan op een gegeven moment bij Hugh, die aan de bar zat binnenstormen en roepen met Frans Accent.

“Hey Hugh ze kids want me to sing a French song is zat okay with you?

Mabel Mercer trad ook op en we sympathiseerden.

Zij was een beroemdheid. Ze was licht getint en had helblauwe ogen. Haar specialiteit was het zingen van “Ballads”. Ze zat dan in een prachtige leunstoel, werd begeleid door een pianist van grote klasse en zong altijd de complete versie van het lied. Dus mèt het couplet. Haar interpretatie was zo vanuit de inhoud van de teksten en zo goed gedoseerd dat Frank Sinatra en andere zangers regelmatig aan haar voeten zaten om haar te horen. Meestal trad ze op in de Rainbow lounge in New York. Heel exclusief.

Ze woonde in een prachtig huis boven New York en nodigde ons uit om daar een dag door te brengen. Ze gaf me toen een tiental langspeelplaten, die ik heb gekoesterd tot ze van me gestolen werden.

In Chicago had onze manager een publiciteitsstunt weten te organiseren voor ons met het automerk Renault. Ze stelden ons een Renault Dauphine ter beschikking en daarin mochten we rondrijden gedurende onze periode in die stad. Toen we hetzelfde vroegen voor New York ging dat helaas niet door.

In de Gate of Horn speelden we met Josh White. Hij leerde me de blues zingen.

Toen ons contract daar was afgelopen bood Josh ons aan met zijn auto terug te rijden naar New York. Dat namen we graag aan. Alleen wisten we niet dat we in een sneeuwstorm terecht zouden komen. Josh wilde niet stoppen en om hem wakker te houden hebben we toen de hele nacht gepraat. Hij vertelde mij zijn leven. Hij was zoon van een kinderrijke predikant in het Zuiden. Zijn vader verkocht hem min of meer aan een blind blueszanger, die altijd als begeleider een jongetje hadden om ze te sturen en om het geld op te halen. Dat had hij onder andere gedaan voor Blind Lemon Jefferson.

Dat was geen pretje, zei hij. De zanger was altijd bang dat je geld achterover drukte omdat hij zelf natuurlijk niks kon zien. Dus hij dreigde altijd met afstraffingen en wist je heel pijnlijk bij het oor te grijpen.

“Maar van hen heb ik de blues geleerd en dat was alle ellende waard”, zei Josh.

Een van de songs waarmee hij beroemd is geworden was: “One Meatball”. Een verhaal uit de crisistijd van een man die precies genoeg geld overhad voor die ene meatball. Te beluisteren op Youtube. Mij leerde hij de blues: Nobody knows you when you’re down and out.”

Hij was heel bevriend geraakt met Eleanor Roosevelt omdat zij heel veel deed om de rassengelijkheid te bevorderen.

Trouwens, de zetbaas van de Gate of Horn, Allan Rieback verliet de Horn en reisde af naar het Zuiden om mee te doen met de rassenstrijd die daar toen in volle omvang woedde.

Een andere blueszanger van wie ik de naam ben vergeten zong: “Please doctor give me the prescription for the blues. Onvergetelijk!

De bassist van Josh was een vrouw. Zij wilde dat ik haar het chanson “C’est si bon”leerde zingen. Maar we kwamen niet uit de uitspraak. “Zè zi bon” ging nog, maar “bras dessus bras dessous”was te moeilijk. De Amerikaanse taal kent niet de u, dus het werd: “brraz dezzous  brazz dezous”. Het was wel heel schattig.

Severn Darden was een zeer origineel acteur, die ook iets deed in het programma. Later kwam ik hem veelvuldig tegen in films waar hij meestal een Oostenrijkse professor speelde met zwaar accent. Hij was later ook een van de grondleggers van het beroemde Chicago cabaret "Second City" . Op Halloween nacht vond hij dat we niet het normale programma konden spelen en vulden we de avond met onzin, waarbij hij al zijn typetjes met rare accenten op mij uitspeelde en we gedichten voordroegen van Tristan Tzara en Christian Morgenstern.

Als we in New York waren logeerden we meestal in Hotel Dolphin. Het lag aan Broadway en de 69ste straat. Daar kon je kamers huren per week met een kitchenette. Heel handig. Veel artiesten woonden daar. Men was er trots op dat de beroemde Amerikaanse componist Aaron Copland daar ook had gewoond.

De laatste keer dat ik terug van Parijs weer in New York was zei ik tegen de taxi chauffeur: “Hotel Dolphin please”. “ Ain’t no Hotel Dolphin” antwoordde hij.

“Jawel” zei ik. Ik heb toevallig de laatste keer de sleutel vergeten terug te geven. Hier is-ie. Kamer180.”“I’ll show you if you don’t believe me”. En op Broadway en 69 was een lege plek omdat ze daar het Lincoln Center aan het bouwen waren. Kamer 180 bevond zich hoog in de lucht. New Yorkse chauffeurs hebben geen talent voor geschiedenis. Het hotel was ook uit zijn geheugen gewist.

Inmiddels hadden we contact gekregen met een concertorganisatie: Overture Concerts, die tournées voor ons organiseerde langs allerlei universiteiten. Dat was vreselijk leuk. Ik had een programma ontworpen dat heette: “La chanson d’amour à travers les âges”. Dan begonnen we ergens in de 15 de eeuw met een troubadourslied en gingen zo door. Na de pauze deden we eigentijdse chansons.

Daarmee hebben we al die sjieke colleges gedaan in New Jersey zoals Bryn Mawr maar ook New York State en andere. Met dat programma zijn we ook door heel Canada gegaan tot in de North West territories. Maar daarover vind je andere verhalen op mijn “site”

 

 Op een dag zag ik in de straten van New York een affiche getiteld: “International Guitar Festival”. Daar wilde ik meer van weten. Ik zocht contact met de organisatoren. Dat bleken twee jongens te zijn die tot dan toe wat zeer  slecht bezochte concertjes hadden georganiseerd en die nu dus dit plan hadden. Ik noemde ze: “enterprising beatniks”. Ze hadden duidelijk een artistiek directeur nodig en ik bood me aan. Dat is uitgelopen op zo’n vreselijk leuk evenement. Je zou het bijna een Woodstock avant la lettre kunnen noemen.

Het was een “zwaan kleef aan” geval.

Ze hadden een plek gevonden Upstate New York, een dorpje aan een meer en daar zou het plaats vinden. We hadden al een hele troep jonge mensen om ons heen verzameld die allemaal gitaar speelden en mee wilden doen in seminars en lessen wilden krijgen. Dat liep van de drie beeldschone dochtersvan de Braziliaanse Ambassadeur tot een overlevendevan de Duitse Concentratiekampen, die zijn nummer trots op de arm droeg, een begaafd luitspeler Stanley Buetens, die later filmmuziek heeft gemaakt voor Eliah Kazan, de hele Franse troep van het zeer succesvolle Broadway programma: “La Plume de ma Tante”, de Afrikaanse drum en dansgroep van Olatungi, van wie Serge Gainsbourg later een nummer heeft gepikt dat hij onder eigen naam uitbracht met nieuwe tekst : "J'ai vu New York, New York, U.S.A."en ga zo maar door.

Een van de hoogtepunten was een fakkeloptocht in bootjes over het meer en verder inspirerende en opzwepende bijeenkomsten vol muziek, zang en dans.

Zulke dingen zijn mogelijk dankzij de ongelofelijke dynamiek van Amerika.

 

Holland Amerika lijn verzorgde “cruises” vanuit New York naar de Caraïben en de Antillen. Daar werden we aangenomen als Franse Act voor een cruise (zonder dat die lui natuurlijk wisten dat ik eigenlijk een Hollander was). Later, eenmaal aan boord was dat natuurlijk niet meer een probleem. Een andere zanger, die musicalnummers zong kwam ik later tegen toen ik in Nederland net begonnen was als t.v.regisseur. Hij vertolkte de hoofdrol in de West Side Story, die voor de eerste keer naar Nederland kwam in Carré. Aanleiding natuurlijk voor mij om een speciaal programma met hen te maken.

Toen moesten we tijdens de cruise van 10 dagen 3 keer optreden. Dat was alles en voor de rest deden we gewoon mee aan alle activiteitenvan de cruise.En we verdienden Union Minimum. Het was niet te vergelijken met de cruises van nu die behoorlijk massaal zijn geworden. Er zaten op zo’n schip 400 gasten en 500 man personeel. Het publiek was een doorsnede van de gegoede middenstanders.

Soms leuk, soms bizar, maar allemaal heel gemoedelijk.

Bij de ingangvan de eetzaalwas een winkeltje dat sierraden verkocht. Een echtpaar stond daar te kijken. De vrouw kon maar niet beslissen en de man werd ongeduldig.”Come on!”riep hij,”Buy a diamond! I’m hungry!”

Een andere vrouw vertelde me vol trots dat ze haar man zoveel geld had bespaard door bij de plaatsen die we aandeden zoveel te kopen, dat in New York vast veel duurder was geweest. ’s Avonds verschenen de vrouwen aan het diner  met allemaal een bontstola om, ondanks de hitte.

Toen Janine aan het zwembad en zonnedek verscheen in bikini werd er geshockeerd gereageerd. Dat kon echt niet in het toenmalige Amerika. Gelukkig was er aan boord een zwempak te verkrijgen met baleinen en voorgevormde beha.

In Haiti, waar de vreselijke Papa Doc de dienst uitmaakte werd ons wel verteld dat het jaarlijks inkomen van de Haïtiaan nog geen honderd dollar was terwijl de luxueuze villa’s met bijbehorend zwembad op de mooiste plekjes te zien waren. Maar de gasten werd wèl op het hart gedrukt om alleen maar iets te kopen bij de door de gids aangewezen winkeltjes of kraampjes omdat alle andere zaken, daar niet aangeschaft wellicht wel schadelijke insecten en houtwormen konden bevatten. Dat ze van die kraampjes provisie kregen was duidelijk.

Soms kwam dan een vrouw trots aan met een souvenir waarop ze wel 50 cent had afgedongen. Ik dacht dan altijd: “Gun die arme sloebers een beetje winst.”

We gingen het land in en zagen hanengevechten. We ontdekten dat we toch een soort Frans konden praten met de mensen op de markt, die ons in Patois antwoordden.

Ons bezoek aan Curaçao bracht me op het idee daar nog eens naar terug te willen en dat kun je lezen in mijn verhaal : Adios Mi Dushi.

Wat zijn nu de hoogtepunten van mijn verschillende verblijven in New York?

Allereerst onze optredens in de "Village Gate", Art De Lugof"s place. Daar werd echt door hem baanbrekend werk verricht met het laten optreden van artiesten, die in het gebruikelijke circuit niet zo gauw te horen en te zien waren. Zo herinner ik me "The King of Iron" die met ons optrad. Echte calypso, waarbij hij improviserend op alles en iedereen commentaar gaf. Heel authentiek en ontzettend swingend. Dan allerlei "folksingers" waaronder wijzelf met Franse chansons. Ik heb daar ook Judy Collins gehoord, die ik erg bewonderde.

Ook de periode waarin we een appartement hadden geruild met onze plek in Parijs. Het was vlak bij Washington Square in de "Village". 's Avonds zaten we op de brandtrappen die als balkon dienden en Zondags gingen we naar de "square" waar spontaan werd gezongen en gemusiceerd. In die tijd zagen de jongeren er nog keurig uit. Geen beatniks, geen hippies, dat kwam allemaal later. Tussen de zangers was een neger die alle vooroordelen logenstrafte over het gevoel voor rythme die zij van nature zouden hebben. Hij zong vals en klapte tegen de maat in, maar er werd naar hem geluisterd met respect zoals bij iedereen die zong. Ik heb er nog foto's van.

 

Ook het International Guitar Festival heeft grote indruk nagelaten. Het was weliswaar "up state New York" maar het werd helemaal in de stad voorbereid. De sfeer daar was zo bijzonder. Zie de foto's.

Ook de tripjes die we vanuit New Hope maakten naar de stad in de open Chevrolet Impala van Claude (wit met rood leer van binnen) waarin we reden met open dak en luid schallende muziek, weliswaar afgestemd op een klassieke zender, maar voor de rest voldeden we helemaal aan het plaatje: young and beautiful en zeer overmoedig.

Kortom: wat een heerlijke tijd!

Toen ik terugkwam naar Nederland, eind 1959 om hier bij de televisie te gaan werken, hadden we Claude meegenomen naar Europa. We hadden de Chevrolet Impala moeten laten staan aan de kade, een vriendin zou hem wegbrengen.

In Rotterdam stond mijn moeder te wachten met mijn nieuwe auto. Een Fiat 6oo , ook wit met rood plastic van binnen en een uitschuifdakje. Ik dacht: "Waar ben ik aan begonnen.."

Toen kon ik nog niet weten dat ik aan het begin stond van een andere heerlijke tijd; meer dan 40 jaar televisie, dat ik altijd heb ondergaan als het kunnen spelen in een fantastische speeltuin.

 

Amsterdam, november 2012